Knuffelparadox: aai deze aaibare dieren niet

Het konijn

Zondag is het dierendag. Meer dan bij de meeste andere huisdieren gaapt er bij konijnen een immens ravijn tussen wat enerzijds de experts en anderzijds kopers en verkopers weten.

Foto's David van Dam

Op de parkeerplaats bleef een man opvallend lang in zijn auto zitten. Het portier stond half open, maar de man stapte niet uit. Hij keek naar beneden, naar iets dat aan het oog onttrokken werd door een andere geparkeerde auto. Toen sloeg hij het portier dicht en reed weg. Op de nu lege parkeerplek dartelden twee konijnen, waarvan één met een opvallend pluizige vacht. Toen pas drong het tot mij door: de automobilist had zojuist zijn tamme konijnen achtergelaten bij het stadspark.

Elk jaar worden ongeveer 6.000 konijnen door hun eigenaar gedumpt; achtergelaten in een bos of park, of over het hek gegooid bij een kinderboerderij. Zonder mensen overleven tamme konijnen niet. „Ze weten niet hoe ze voedsel moeten vinden en gaan dus dood van de honger – of van de dorst. Ze worden aangereden door een auto, gegrepen door een roofvogel, aangevallen door wilde soortgenoten”, vertelt konijnendeskundige Cynthia Pallandt van de Stichting Konijnen Belangen (SKB). „Dat weten veel mensen met konijnen niet.”

Dat weten de mensen niet. Het is een zin die steeds terugkomt als je praat met konijnenexperts of leest in rapporten zoals een eerder dit jaar verschenen zwartboek met de toepasselijke titel Het konijn, een onbegrepen dier. Na de hond en de kat is het konijn het meest gehouden huisdier in Nederland, met een kleine miljoen exemplaren. De (wetenschappelijke) kennis over dit knaagdier is groot. „Het konijn is uitgebreid bestudeerd, onder meer omdat het ook een proefdier is”, zegt dierenarts Mardou van Leuven, konijnenexpert en voorzitter van de werkgroep bijzondere dieren. Maar, zo zegt zij, „meer dan bij de meeste andere huisdieren gaapt er een immens ravijn tussen wat de experts weten en wat de kopers en verkopers weten.”

De voorbeelden daarvan zijn talloos. „Nog steeds adviseren veel dierenhandelaren om maar één konijn te nemen, omdat er bij meer konijnen kans bestaat op vechtpartijen. Maar konijnen zijn groepsdieren en moeten minimaal met zijn tweeën leven. Een konijn dat alleen in een hok zit, leidt een ellendig leven”, zegt Pallandt. „Nog steeds verkopen dierenhandelaren kalkblokken om de tanden van de konijnen kort te houden. Die konijnen belanden met kalkstenen in de urinewegen bij mij op de behandeltafel”, zegt Van Leuven.

Levende speelgoeddieren

Door dit soort misverstanden is het konijn uitgegroeid tot Nederlands „meest verwaarloosde huisdier”, constateerde het Platform Verantwoord Huisdierenbezit eerder dit jaar. Maar hoe komt het eigenlijk dat konijneneigenaren zo weinig weten van hun huisdier? Door het idee waarmee ze hun konijnen aanschaffen, zo lijkt het. Honden en katten worden na aankoop lid van het hele gezin, konijnen meer een soort levende speelgoeddieren voor de kinderen.

Zo ging het ook bij ons thuis. De jongste zoon wilde graag een huisdier en omdat vader allergisch is, moest het een buitendier zijn. Dat werd een konijn, of liever: een stelletje – dat moest, dat wisten we. Dat stel kochten we bij een konijnenopvang, waar we veel te horen kregen van wat je moet weten over konijnen.

Veel wisten we ook niet, zo bleek. Zo hadden we voor Ron en Lisa op het balkon een flinke ren gemaakt, maar tijdens de eerste schoonmaakbeurt veroverden ze al het hele balkon – en dat hebben we maar zo gelaten. „In de vrije natuur leeft elk konijn op een terrein ter grootte 36 tennisvelden”, zegt Pallandt. „Zoveel ruimte kun je thuis niet bieden, maar dit maakt duidelijk dat een hok echt te klein is.”

Angstige prooidieren

Het meest confronterend was de ontdekking van de knuffelparadox. Tamme konijnen zien er zeldzaam aaibaar uit, met hun pluizige vacht, ronde koppen en vaak hangende oren – een uiterlijk dat ze danken aan de fokkers. Tegelijkertijd willen konijnen niet worden geaaid, de onze in elk geval niet. Ze willen zeker niet worden opgetild voor een knuffel, zoals je vaak ziet in kinderboerderijen.

„Konijnen zijn prooidieren en het is voor hen bijzonder angstig als ze niet kunnen wegrennen”, zegt dierenarts Van Leuven. Dus niet optillen, bezweert Van Leuven: „Wel kun je gaan zitten en een konijn naar je toe laten komen. Dan kun je proberen het te aaien.” Als het konijn er geen zin in heeft, loopt het wel weg.

Toch is juist dat knuffelen voor veel mensen een reden om een konijn te kopen. Wat moeten die nu dan doen? Speel met je konijnen, zeggen de experts. „Konijnen kun je bijvoorbeeld spelenderwijs snel zindelijk maken”, zegt Pallandt. Je kan ze voedsel laten pakken uit speciale speeltjes voor honden en katten, zegt Van Leuven: „En mijn Vlaamse reus heb ik geleerd over een hindernisbaan te lopen; vindt ie heerlijk.”

Het trainen van je konijn kun je sinds enkele jaren leren op de Martin Gaus Academie, waar dierentrainer Bernice Muntz cursussen geeft. Op de website van Muntz zijn onweerstaanbare filmpjes te zien van konijnen die dollen met een bal, op commando in een hok springen en een ‘high five’ geven.

Dierentrainer Bernice Muntz heeft een konijn geleerd een high five te geven.

.

Pallandt is aan de Martin Gaus Academie opgeleid tot konijnentrainer, maar van haar hoeft niet elke konijneneigenaar zo ver te gaan. „Zo’n cursus maakt je bewust van wat konijnen nodig hebben. Maar ook zonder ze te trainen kun je genieten van je konijnen – alleen al door ze te observeren.”

Dat is wat wij doen, kijken. Hoe ze na al die jaren nog steeds tegen elkaar aan kruipen en elkaars vacht likken. Hoe ze zich wassen en in de rij staan voor de poepbak als ze tegelijk naar de ‘wc’ moeten. En vooral hoe ze spelen met voerbakjes, achtergelaten kooien, kartonnen dozen waarin we wat openingen hebben geknipt en alles wat per ongeluk slingert op het balkon. Ze spelen en spelen.

Waarom spelen dieren eigenlijk?, vroeg ik een collega die bioloog is. „Dat weten we niet precies, maar zoogdieren die niet meer zelf voor hun eten hoeven te zorgen, gebruiken die ‘vrije tijd’ om te spelen”, antwoordde hij: „Kijk maar naar honden, en naar mensen”. En toen dwarrelden ineens gedachten door het hoofd over Freud die gezegd zou hebben dat kinderen moeten leren en volwassenen moeten spelen; en over de Homo ludens van Huizinga die schreef over het belang van het speelelement in cultuur en samenleving. Zo bleken konijnen verrassend dicht bij ons mensen te staan.

 

Sommigen voelen zich zelfs ‘konijnenmensen’, zoals dierenarts Van Leuven dat noemt, ofwel „mensen die een konijn als een gezinslid beschouwen.” In de praktijk zijn dat mensen die geld uitgeven aan een dierenarts in de hoop dat het dier oud wordt. Dat is nog een kleine groep, zegt Van Leuven. „90 procent van mijn patiënten is hond of kat, de overige 10 procent is een restgroep waarin ook konijnen zitte n.” Door de matige verzorging worden konijnen vaak maar een jaar of vier: „Terwijl konijnen makkelijk tien jaar kunnen worden, of 13 jaar zoals een konijn van mij.”

Dan hebben ze wel een minimale verzorging nodig en dat willen konijnenorganisaties wettelijk afdwingen. Zo verzet het Platform Verantwoord Huisdierenbezit zich tegen de plaats van het konijn op de dit jaar gepubliceerde Positieflijst van dieren die gehouden kunnen worden zonder minimumvereisten; de procedure tegen het ministerie van Economische Zaken daarover loopt nog.

Met minimumeisen is er minder kans op verwaarlozing en impulsaankopen. En dus op het dumpen van konijnen zoals op de parkeerplaats bij het stadspark. Want hoeveel konijnen daar ook in de schemering rondhuppelen, de tamme gedumpte konijnen heb ik daar nooit meer gezien.