In de toekomst

Gisteren werd een onderwijsadvies voor 2032 gepresenteerd. We are preparing ourselves for a globalized world. English will be taught from a young age. However, at the same elementary school, we will also have ‘Burgerschapsvorming’, which is strange, as the concept of Burgerschap is traditionally not a globalized concept, but a nation oriented one. We hebben straks een overheid die geglobaliseerde burgers van ons wil maken om daar nationaal profijt uit te halen. Gelukkig is het woord ‘paradox’ Engels en Nederlands ineen.

2032. De peilingen blijken juist en de PVV blijft groeien. Gelukkig is haat te zijner tijd gedigitaliseerd. Geweld wordt een androgyne bedoening, want vanachter de computer kun je slaan, bombarderen en doden met armen schriel als kippenpoten.

Laatst werd ik op straat staande gehouden. Of ik „Misschien, gekke vraag, een euro en vijftig cent kon missen?” Zijn bedelen was perfect: hij verwoordde mijn weerstand preventief (‘gekke vraag’), was specifiek over het bedrag en door niet te vragen of ik geld had, maar of ik het kon missen, was ik überhaupt te trots om ‘nee’ te zeggen.

In 2032 gaat economisch verkeer volledig digitaal. Gelukkig hoeven we ons dan niet meer persoonlijk aangesproken te voelen: abstracte processen zijn immers niet te onderbreken. Je kunt dus, geconfronteerd met ongelijkheid, zonder schuldgevoel de armen in de lucht gooien en roepen ‘Als de markt het wil!’.

Ik heb drie vaste afspraken in de toekomst staan.

Eén met mijn ongelovige oma, die op haar sterfbed ineens bezwoer: „We zien elkaar later.”

Eén met mijn jeugdverkering, aan wie ik, toen hij naar Den Helder verhuisde omdat zijn vader een baan kreeg bij de Marine, beloofde dat we later alsnog zouden trouwen. Bij het afscheid plaste hij over mijn schoenneuzen heen, territoriumdrift ter bezegeling.

De laatste vroeg geplande afspraak kreeg een duidelijkere datum: in oktober 2031 zie ik J. Vorige week stonden we te praten, we werden het maar niet eens en zij zei: laten we over zestien jaar een biertje gaan drinken. Dan ben ik even oud als zij nu.

Wanneer je jong bent, zijn mensen erg nieuwsgierig naar hoe je er later over zult denken. Er wordt meestal van uitgegaan dat dit later ook een beter weten impliceert. Op persoonlijk niveau worden mensen wijzer met de tijd, terwijl maatschappelijke toekomstvoorspellingen bijna altijd apocalyptisch zijn.

Wanneer er onderzoek wordt gedaan naar geluksbeleving, blijken Nederlanders aan te geven: met mij gaat het goed, maar met ons gaat het slecht. Je zou dat een vorm van sociaal piekeren kunnen noemen, maar het kan evengoed worden gezien als een manier om jezelf te prijzen: hoewel het met anderen slecht gaat, houd ik me goed staande.

Misschien is doemdenken over de toekomst gewoon een manier om het heden extra te waarderen.