Iedereen is lelijk in zijn strip

In aanloop naar het Bosch-jaar tekende Marcel Ruijters de stripbiografie van Jeroen Bosch. De strip zit vol misvormde tronies.

Jeroen Bosch, ziek van heimwee. Foto uit besproken boek

In 2016 is het 500 jaar geleden dat Jeroen Bosch overleed en hij zal royaal herdacht worden. De bijzondere aftrap voor het Jeroen Bosch-jaar wordt deze week verricht door Jheronimus, de stripbiografie die tekenaar Marcel Ruijters over de schilder maakte.

Ruijters en Bosch vormen een droomkoppel. Ruijters (1966), wiens oeuvre in 2014 werd bekroond met de Stripschapprijs, toont in zijn werk een vergelijkbare voorliefde als Bosch voor fantasiebeesten, demonen en religieuze personen en motieven. In zijn op middeleeuwse leest geschoeide, diklijnige gravurestijl toverde Ruijters in boeken als Sine Qua Non (2005), Inferno (2008) en Alle Heiligen (2012) een bonte stoet wildemannen, Blemmyers (louter voeten, hoofd en oren) en andere fabeldieren tevoorschijn.

Dat is een uitstekende voedingsbodem voor de rauwe werkelijkheid van het laatmiddeleeuwse ’s Hertogenbosch. Daar deelt Jeroen van Aken (de echte naam van artiest Jheronimus Bosch) een atelier met zijn broers Goessen, die ook schildert, en Jan, die de verf bereidt. Het tekenplezier waarmee Ruijters zich uitleeft op de misvormde en wormstekige tronies van de middeleeuwse mens vormen een grote kwaliteit van Jheronimus. Armen, burgers, edelen en geestelijken troeven elkaar af in lelijkheid.

Ondanks de soms schilderachtige miniaturenstijl schuwt Jheronimus de taal van de strip niet: karakteristiek voor de schilderende broers en andere figuren zijn hun kapitale neuzen. In gedachtewolkjes plaatst Ruijters geen tekst, maar symbolen en figuurtjes.

Jeroen Bosch was al bij leven een beroemd schilder, maar over zijn leven is weinig bekend. In zijn biografie doet Ruijters geen poging de gaten in te vullen. In deze levensschets toont hij in compacte taferelen het alledaagse leven van een ambachtsman en kunstenaar die moeite heeft rond te komen. Jaartallen noemt Ruijters niet, alleen zijn sterfjaar, 1516.

Op lichtvoetige toon beziet Ruijters zijn held, de bedachtzame en tot tobben geneigde Bosch, die kritisch is op zijn medeburgers en met lede ogen zijn stad ziet verloederen. Hij gruwt van het gedachteloze geweld om hem heen. Een werelds man is hij niet. Hij raakt bevriend met bouwmeester Allart, die aan de Sint-Janskerk werkt en die hem verleidt tot een reis. Maar een voorspelling van een waarzegster en de heimwee naar zijn vrouw doen Bosch snel terugkeren.

Uiteraard komen ook beroemde werken van Bosch aan bod, zoals Ecce Homo en het vrijpostige Tuin der Lusten. Van zijn Calvarie met schenker (ca. 1490) zien we de opdrachtgever vroom op zijn knieën poseren, doodziek, terwijl Bosch in allerijl schildert. Bij het afwerken met zijn broers noemt Bosch de man sarcastisch „een voornaam hoerenloper die zich alsnog van een mooi plekje in de hemel” tracht te voorzien.

Het meest boschiaans is zijn dood, die Ruijters tekent als een nachtmerrie van zijn vrouw Aleid. Ze is hem kwijt en stuit in een droomlandschap op wezens die lijken op de groteske dieren van Bosch, zoals een wandelende vis met cape en een figuurtje met trompetsnuit. Mysterieus, origineel en intrigerend: Bosch had zich geen betere stripbiograaf kunnen wensen.