Historische kloof Oost- en West-Europa

Over de verplichte verdeling van vluchtelingen over Europa is het laatste woord nog niet gezegd. Vier landen werden vorige week overstemd: Tsjechië, Slowakije, Roemenië en Hongarije. Juridisch kon het, maar voor een symbolisch en materieel zo ingrijpend besluit is het ongebruikelijk. Blijkbaar vond de meerderheid – Duitsland voorop – het groepje halsstarrig en klein genoeg om door te drukken. De Unie toonde zo handelingsvermogen. Wel blijft er twijfel of de vluchtelingenstroom zich in banen laat leiden. Meteen deze week meldde Slowakije naar het Europees Hof in Luxemburg te stappen. Waarschijnlijk om tijd te rekken: premier Fico wil geen asielzoekers opnemen tot er een uitspraak is en dan zijn we maanden verder. Wrevel aan de andere zijde is er ook. President Hollande kritiseerde landen die geen solidariteit voor asielzoekers tonen, maar wel op vrij verkeer van werknemers binnen de EU hameren. De Fransman vertolkte zo de Franse zorg dat Oost-Europeanen met hun lage lonen in bouw- of transportsector West-Europese collega’s wegconcurreren. Hij was subtieler dan de Duitse minister De Maizière die dreigde dwarse Oost-Europese landen op hun EU-subsidies te korten. Maar de boodschap was dezelfde: leven in de Unie is een kwestie van geven en nemen.

De vluchtelingenzaak raakt wel aan diepere emoties dan een doordeweekse EU-uitruil over tomatenprijzen of speelgoedstandaarden. Tussen Oost- en West-Europa gaapt een kloof van historische ervaring. Ten eerste is er de kolonisatie. Vijf eeuwen lang zijn Portugezen, Spanjaarden, Nederlanders, Fransen, Engelsen, Belgen en Duitsers flink bezig geweest in Afrika, Azië, de Amerika’s en het Midden-Oosten met handel, verovering, machtsuitoefening. We hielden er pas één à twee generaties geleden mee op; in perspectief is dat eergisteren. En ook na de dekolonisatie blijven: een sterke betrokkenheid bij de rest van de wereld, een ander straatbeeld, andere stemmen, een groter schuldgevoel. Niets van dit alles voor Roemenen of Hongaren. En er is een tweede punt. Het grote historische trauma van de 20e eeuw was voor ons in West-Europa de Holocaust. Gastvrijheid voor vluchtelingen is een antwoord op die catastrofe. De Conventie van Genève (1951) past in de morele wederopbouw na de nazitijd.

Daarentegen volgde voor de Oost-Europeanen na WOII nog veertig jaar dictatuur. Als Viktor Orbán uitlegt waarom zijn land geen vluchtelingen wil opnemen, herhaalt hij dat Hongarije veertig jaar onder het communisme heeft geleden en daarom arm is, terwijl wij hier rijk zijn. Natuurlijk, het IJzeren Gordijn is ook alweer een generatie naar beneden, maar in de regio gaat het argument er goed in. Des te opvallender de omslag die de Polen maakten. Zij stemden in met de spreiding. „Vandaag leven wij in een deel van de wereld waar mensen naartoe willen, en niet van willen wegvluchten”, aldus premier Kopacz in het Poolse parlement.

Een andere Pool, namens Europa sprekend in New York, trof de toon om de spanningen te nuanceren. Donald Tusk noemde het „pure hypocrisie” dat sommige landen ons bekritiseren, maar zelf geen vinger uitsteken. „We zijn in Europa in verhitte debatten verwikkeld over herverdelingsquota, juist omdat we ons bekommeren. Veel landen hier hebben een simpeler aanpak: ze laten migranten en vluchtelingen niet op hun grondgebied toe.” Dat was een uithaal naar Saoedi-Arabië en andere rijke Golfstaten, die geen Syriërs helpen – en misschien naar Amerika, dat dit slechts minimalistisch doet. Kleine geruststelling voor het vaderland, in de week dat ook Willem-Alexander de VN-vergadering toesprak: de koning van Nederland kwam protocollair vóór de president van Europa.