‘Het zijn er niet veel hè, die boeiend schrijven en emoties losweken’

Hij is naar de Spaanse horizon vertrokken. Na twee bestsellers komt Stefan Brijs (De engelenmaker) nu met een ‘harde, maar eerlijke’ roman over Curaçao. „Er gebeuren verschrikkelijke dingen in mijn boeken.”

Stefan Brijs: ‘Een blijde boodschap heb ik toch nooit te verkondigen’ Foto’s Franky Verdickt

‘Ik had nood aan een nieuwe horizon. Letterlijk. Je zult het zo wel zien”, zegt Stefan Brijs (1969) terwijl hij zijn auto op de snelweg buiten Malaga snel om twee stilstaande gedeukte wagens stuurt. Brijs streek ruim een jaar geleden neer in Andalusië. Tot dan toe woonde hij op het Vlaamse platteland, in een huis met vier ezeltjes in de wei. Benelux-rustiek, maar voor Brijs was het te veel. „Ik kwam niet meer tot rust in België. Je stapt in de auto en je zit vast in het verkeer. Je stapt naar buiten en je hoort geroezemoes.” Brijs’ echtgenote Melanie Elst stond dagelijks in de file om bij haar werk in Antwerpen te komen. Bovendien verlangde ze naar warmer weer – ze woonde de eerste tien jaar van haar leven op Curaçao.

Op een half uur rijden van de Middellandse Zee bewoont Brijs nu – mede dankzij zijn bestsellers De engelenmaker en Post voor mevrouw Bromley – een huis op een heuvel met een klein zwembad naast het terras en een olijfboomgaard op de helling. Vrij zicht op de horizon inderdaad, met hier en daar verspreid wat kluitjes huizen. Spanje kende hij niet of nauwelijks. „Het komende jaar wil ik me wijden aan het schrijven van een non-fictieboek over Andalusië, ik ga elke hoek van Zuid-Spanje verkennen.”

Brijs is geen reiziger van nature: hij stapte voor het eerst in een vliegtuig toen hij bijna dertig was. Naar Curaçao om met zijn vrouw terug te keren naar haar wortels. „Ik wist aanvankelijk niet waar ik eerst kijken moest. Het had een soort ruwheid en tederheid die ik niet kende en niet begreep. Zelf ben ik opgegroeid in de buurt van Genk, in de cités van de mijnstreek, tussen de Turken, Italianen, Polen en Spanjaarden. Ik kende cultuurverschillen, maar op de Antillen zag ik voor het eerst een samenleving met twee rassen – hoe dat ging, snapte ik niet. Kort daarna heb ik een artikel uitgeknipt en opgeborgen. Dat is het beginpunt van Maan en zon geworden.”

Uw boek eindigt met een krantenbericht.

„Dat is hetzelfde artikel, letterlijk op één woord na. Zonder de afloop van de roman te verraden: ik had steeds al het idee dat er een roman in Curaçao zat. Ik was er nadien nog een keer geweest, had Frank Martinus Arion en Tip Marugg gesproken. Arion gaf me het advies vooral niet te veel te publiceren. Eén boek in de tien jaar, dat was volgens hem ruim voldoende. Geleidelijk kreeg ik een helderder blik. Ik ben van het eiland gaan houden, maar dacht tegelijk: verdomme, wat is er toch mis?”

In ‘Maan en zon’ is van alles aanwezig: van de armoede en de afwezige vaders in de jaren zestig tot de bolletjesslikkers van de jaren negentig.

„Toen ik klaar was met Post voor mevrouw Bromley dacht ik: dit is het moment. Ik wist al snel dat wat ik wilde vertellen over Curaçao aan de hand van een taxichauffeur moest gebeuren. Dat de opstand van mei 1969 tegen de Nederlanders [toen een staking bij Shell in Willemstad uitliep op een volksoproer en plunderingen] erin voor zou komen stond voor mij ook vast: dat is een scharnierpunt geweest voor het eiland. Na één alinea had ik al drie generaties, je hebt veertig jaar geschiedenis nodig om te vertellen wat er is gebeurd. Het is de evolutie van een paradijselijk eiland, voor de blanken dan, tot de situatie nu – de armoede en de bolletjesslikkers. Tegelijkertijd wil ik de lezer naar een wereld brengen die hij niet kent, naar personages waar hij anders met een boog omheen zou lopen. Al mijn hoofdfiguren zijn antihelden – antihelden die aan het einde iets doen dat je aan het begin nooit zag aankomen.”

Een heldendaad?

„Dat niet. De hoofdpersoon van Maan en zon brengt een offer dat ook een element van egoïsme heeft. Ik heb overwogen om de laatste pagina weg te laten. Ik heb het er lang met mijn redacteur Emile Brugman over gehad, maar die zei: je wordt te mild in Spanje. Je moet je personages geen beter leven willen geven dan ze in de realiteit zouden krijgen. Dat is ook het effect dat het slot nu bij de lezer heeft: shit, er is geen hoop.”

Is er geen hoop voor Curaçao?

„Mijn Franse vertaler las het boek en zei: dit gaat over het onvermogen om de mens te veranderen en het onvermogen om de wereld te veranderen. Rond de eeuwwisseling zaten er op sommige vluchten wel dertig bolletjesslikkers. Dertig! Ik probeer op zoek te gaan naar: hoe kan dat? Het is een hard boek, zeker voor Antillianen, maar het is wel een eerlijk boek.

„Tot mei 1969 beseften de blanken amper hoe ze met de zwarten omgingen. Het was het paradijs, tot plotseling alles anders werd. Ik ben een buitenstaander, misschien had een Nederlander een boek als dit niet kunnen schrijven. En ik drijf nergens de spot.”

Wat is de boodschap van uw boek?

„Daar ben ik niet mee bezig. Ik begin met een idee en een of twee personages. Als ik er twee heb, dan staan de eerste pionnen op mijn schaakbord en kan het schuiven beginnen. Schrijven is schaken voor mij. Op elk ogenblik ben ik al mijn personages, maar het verhaal ontstaat pas gaandeweg. Ik schrijf niet met veel plezier. Het is veel werken, veel schrappen – echt zwoegen. Vaak ga ik een bepaalde kant op met het verhaal, maar dan blijkt dat toch niet goed te zijn. Ik heb veel moeten weggooien: passages waarin ik te veel de schrijver uithing. Alles bij elkaar heb ik wel duizend pagina’s geschreven om tot dit boek te komen. Daarom heb ook ik afzondering en stilte nodig, de personages zitten altijd in mijn hoofd.”

Op ‘Maan en zon’ zit een sticker ‘van de schrijver van „De engelenmaker”’. Niet van ‘Post voor Mevrouw Bromley’.

„Daar heb ik me tegen mijn zin bij neergelegd. In Vlaanderen is Bromley een groot boek. Daar werd het dadelijk opgepikt en inmiddels zijn er zestigduizend exemplaren van verkocht. Maar als ik Nederlandse boekhandelaren spreek, lijkt het alsof sommigen het hebben gemist. Beide boeken hebben hun liefhebbers. Mensen willen een verhaal, ze willen een paar uur weg zijn. Ik ga het niet pushen, maar er gebeurt veel in mijn boeken, er zit drama in.

„Godzijdank heb ik nu lezers. Toen ik De engelenmaker schreef had ik geen idee voor wie ik dat deed, mijn boeken daarvoor hadden weinig verkocht. Nu ontmoet ik ze bij lezingen en daar beleef ik veel plezier aan. Dan komen ze kijken hoe degene eruit ziet die zulke verschrikkelijke boeken schrijft. Aan het eind zeggen ze: ‘Oh meneer Brijs, u bent toch een aardige jongen’.”

Vindt u uw werk zo zwartgallig?

„Er gebeuren verschrikkelijke dingen in mijn boeken. In De engelenmaker verhongeren kleine kinderen, in Bromley heb ik met doden gesmeten aan het front van de Eerste Wereldoorlog. Een blijde boodschap heb ik toch nooit te verkondigen.’’

Wanneer ontdekte u dat lezers een verhaal willen?

„Ik heb voor mezelf moeten ontdekken dat ik een verhalenverteller ben. Mijn eerste roman, De verwording, was puur en alleen uit taal opgebouwd. Ik wilde Jeroen Brouwers nabootsen. Het verhaal bleef achter, ik wil ook niet dat het nog wordt herdrukt. Langzaam besef je wat je wil: verhalen vertellen, de mensen een boek geven waarmee ze een tijdje van de wereld zijn. Je hebt er niet veel hè, die dat doen. Peter Buwalda heeft het gedaan, Tommy Wieringa kan het, maar verder is het zoeken naar auteurs die boeiend schrijven en ook emoties losweken bij de lezer. Bij de huidige generatie is het ver te zoeken. Het zijn allemaal schitterend geschreven boeken. Ze schrijven veel mooier dan ik, véél mooier. Maar velen vergeten een verhaal te vertellen, ze willen alleen hun ei kwijt.”

Hoe bevalt het leven in Spanje?

„Ik ben opgegroeid tussen migranten, maar nu ben ik er zelf één. Als ik iets ben, dan ben ik een ecologische vluchteling. Bij dit huis hoort een kleine olijfboomgaard, die een boer voor me onderhoudt. Ik zou het zelf kunnen doen, maar die boer verdient er driehonderd euro per jaar mee. Moet ik hem dat brood uit de mond stoten voor mijn hobby, voor mijn ijdelheid?”

Brijs zwijgt even. „Zullen we nu naar mijn schrijfhut gaan?” De ‘hut’ is een houten schuur op twintig meter van het huis, zonder telefoon of internet. Een kaart van Curaçao, twee plankjes boeken over de Antillen. Op het bureau ligt een vogelgids. „Ga maar zitten”, zegt Brijs en wijst naar zijn schrijfstoel voor het raam dat onbedorven uitzicht biedt op de heuvels. De schrijver wijst: „Mijn hoofd is echt opengegaan door hier te komen. Het is een nieuwe wereld.”