Het Woord is Glossy geworden – en dus onleesbaar

Je kon erop wachten. Na Jezus en Maarten van Rossem heeft de Bijbel een glossy. Er zat voor de publiciteit een vrolijk flesje Jumbo- huiswijn bij (‘Soepel en halfzoet’) en een zakje vissendrop. Er bestaat betere wijn in de wereld, er is betere drop, maar allá. Het bloed en het lichaam van Christus – netjes voorgesorteerd voor de ironisch-welwillende publiciteit: het Woord is Glossy geworden. Wij beginnen met Lezen; na een korte samenvatting volgt vertrouwd de stamboom van Jezus in het evangelie van Mattheüs. Maar al na anderhalve bladzijde begint het te draaien. Even vrees je dat de drop en de wijn een onheilig verbond zijn aangegaan in je maag. Dan daagt een oude waarheid: glossy’s zijn wel bladerbaar maar niet leesbaar. Te dun, te zwaar, te flapperig. Volgens mij zou zelfs Vijftig tinten grijs niet zijn uitgelezen als glossy. Dit Nieuwe Testament is een leesvijandige daad van de eerste orde. Hoe zei Prediker (Oude Testament, maar toch) het ook alweer: ‘lucht en leegte’ alias ‘ijdelheid der ijdelheden’.

Laat dit glimmende testament liggen in het tijdschriftenschap en koop De Parelduiker, die gewijd is aan Remco Campert. Hij krijgt donderdag de Prijs der Nederlandse Letteren, een paar uur na de toekenning van de Nobelprijs – Svetlana Aleksijevitsj is bookmakerfavoriet, maar dat de lijst van wedkantoor Ladbroke’s nog niet is uitgekristalliseerd blijkt uit de aanwezigheid van E.L. Doctorow, die postuum 50 tegen 1 staat.

Campert is de glossificatie godzijdank bespaard gebleven – en het is vol van schatten in zijn Parelduiker, zoals een uitgewerkt radio-interview uit 1963, met beeldschone zinnen als: ‘Zolang ik niet werk ben ik erg bang. Als ik eenmaal werk ben ik niet meer bang.’ Jezus had het niet beter kunnen zeggen. Ook is er Campert de vertaler, Campert de schilder en tekenaar en (jawel) Campert de Antwerpenaar en Campert de man met wie de jonge Tom Lanoye de spot dreef: ‘Gij Remco Campert, dichter, veelbekroond/ En tekenend voorbeeld van de hele zooi,/ Hebt onlangs nog uw ware aard getoond;/ plat, zoals zovelen, en van laag allooi.’

Belangrijk is het klaagschrift van C.J. Aarts over het ‘weggespoelde schaduwoeuvre’ van Campert. Want, zo constateert Aarts en bewijst hij met een reeks prachtcitaten, veel werk van Campert is niet gebundeld, of het is na de verdikking van bundels tot bloemlezingen buiten de boot gevallen: ‘Een gewone lezer die, zoals u en ik, geen Uitgever is die regelmatig van een papiergroothandel een Model krijgt toegestuurd, die niet bankiert bij De Twentsche Bank, kinderloos is, niet brildragend, kennelijk geen vriend is van De Volkskrant en geen Dommelsch Bier drinkt, mist veel van die lichtvoetige verhalen.’ Hier ligt een taak voor de Taalunie, die zijn prestigeprijs kan aangrijpen voor de lancering van Campert Compleet. Het mag digitaal, het papier hoeft niet te glimmen – dat doet de schrijver al.