Effect van anti-depressietherapie blijkt óók al kleiner dan het leek

De effectiviteit van psychotherapie bij depressie wordt overschat, net als bij antidepressiva. Weer is de oorzaak publicatiebias.

Psychotherapie helpt tegen depressie, maar het helpt minder goed dan de gepubliceerde wetenschappelijke literatuur suggereert. Dat blijkt uit Nederlands-Amerikaans onderzoek, deze week gepubliceerd in PLOS ONE.

De onderzoekers begonnen in 2013 alle onderzoekssubsidies na te zoeken die de Amerikaanse National Institutes of Health (NIH) tussen 1972 (verder gingen de archieven niet terug) en 2008 hadden gegeven voor experimenteel onderzoek naar psychotherapie voor depressie bij volwassenen. De NIH is met een budget van ongeveer 31 miljard dollar (28 miljard euro per jaar) de grootste Amerikaanse financier van biomedisch en gezondheidsonderzoek.

Het Nederlands-Amerikaanse team vond 57 subsidies waar onderzoek naar depressietherapie uit was voortgekomen – 42 van die subsidies hadden tot wetenschappelijke artikelen geleid, 13 niet en in 2 gevallen was het onderzoek niet begonnen. Van de 13 projecten waaruit geen publicaties waren voortgekomen, wisten het team in 11 gevallen de ongepubliceerde onderzoeksgegevens te achterhalen. Toen ze dat ongepubliceerde onderzoek bij het wél eerder gepubliceerde onderzoek voegden en alles samen analyseerden, nam het effect van de psychotherapie duidelijk af: het was nog steeds significant, maar ongeveer een kwart minder groot.

Dat betekent dat onderzoek naar het effect van psychotherapie bij depressie minder vaak gepubliceerd wordt als het effect kleiner is. En dat kwam overigens niet doordat de tijdschriften het weigerden: bij 11 van de 13 ongepubliceerde studies hadden de onderzoekers niet eens geprobeerd het te publiceren. Het Nederlands-Amerikaanse team pleit ervoor dat al het onderzoek dat uit publieke middelen wordt gefinancierd, publiek toegankelijk wordt gemaakt.

Ook bij antidepressiva neemt de effectgrootte met ongeveer een kwart af als je gepubliceerde onderzoeken vergelijkt met alle originele data. Dat was al eerder uit onderzoek gebleken. Maar bij antidepressiva kwam dat niet alleen door publicatiebias, maar ook omdat onderzoekers zo hadden gefoezeld met hun data dat de uitkomsten van hun onderzoek mooier, sterker leken.

Bij het therapieonderzoek was die vorm van bias niet vast te stellen, omdat onderzoeksprotocollen van voor 2000 vaak niet meer te achterhalen waren. Die zijn nodig om te zien in hoeverre onderzoekers in hun eigen data hebben zitten ‘shoppen’, op zoek naar mooie resultaten.