Column

Een opwekking tot burgerzin

De opening van de Maand van de Geschiedenis, in het gebouw van Beeld en Geluid, onze onvolprezen instelling voor audiovisueel erfgoed, was een hooggestemde affaire. Tussen droom en daad is het motto van de Maand. Maar hier gaat het niet om het gedicht van Willem Elsschot, over een man die fantaseert zijn vrouw te vermoorden. Hier gaat het om iets hogers. Feestredenaar Rutger Bregman deed een gooi: geschiedenis leert ons dat alles niet hoeft te blijven, zoals het nu is – zoiets. Geschiedenis is belevenis, avontuur, een achtbaan van lichtende voorbeelden en afschuwelijkheden.

Ook het aantrekkelijk geprijsde essay van de Maand ademt goede bedoelingen. Auteur Ahmed Aboutaleb, burgemeester van Rotterdam, verhaalt over joodse onderduikers die bijna drie jaar in een Rotterdamse kerk zaten. Na nog een excurs door de geschiedenis van de filosofie komt de auteur met morele lessen: moed, offervaardigheid en je niet neerleggen bij de omstandigheden zijn gevergd.

Er is niets mis met zulke oproepen. En het is zeker een fijn gevoel, dat eindelijk eens een hoge bestuurder in Nederland zijn mannetje staat inzake Aristoteles. Maar is de Maand van de Geschiedenis werkelijk bedoeld voor opwekkingen tot burgerzin? Is het niet voldoende dat er deze maand op vele plaatsen interessante dingen worden gepresenteerd, en er in Nederland opmerkelijk veel interessante historische studies verschijnen?

Kennelijk niet. Het motto ‘droom & daad’ beoogt de burger mee te slepen in een existentieel avontuur – emotionele vermogens gaan kennelijk voor intellectuele. Maar dan rijst natuurlijk ook prompt de vraag tot welke conclusies deze exercitie leidt, of zou moeten leiden. In een betrekkelijk recent verleden, toen geschiedenis er op school nog werd ingeheid, diende het handelen der voorvaderen in Nederland nogal eens om de eigenheid van bevolkingsgroepen te markeren – protestanten, katholieken, liberalen. Dat is nu nadrukkelijk niet de bedoeling.

Premier Balkenende die een herleving van de VOC-mentaliteit bepleitte, de Kamermeerderheid die vond dat er een Nationaal Historisch Museum moest komen, het opstellen door een commissie van een zo neutraal mogelijk geformuleerde ‘canon’ voor het vaderlands verleden – steeds verwacht men van de geschiedenis de zo noodzakelijk geachte federerende kracht in de samenleving, in een tijd van nationaal identiteitsverlies door europeanisering en globalisering, individualisering en toenemende spanningen tussen bevolkingsgroepen.

Het gaat om het ontwerp voor wat in Duitsland zo mooi Leitkultur genoemd wordt, een erfgoed dat geacht wordt van alle inwoners des lands te zijn, en waaraan ieder fatsoenlijk mens zich dient te conformeren. Een riskante onderneming, want de geschiedenis heeft geenszins als onomstootbare conclusie, dat mannen en vrouwen gelijke rechten hebben, dat oorlog niet loont, en religieuze groepen tolerant naast elkaar kunnen leven – om eens wat hedendaagse wenselijkheden te noemen. Mijn dromen zijn nog niet die van mijn buurman – om over onze daden nog te zwijgen.