Welkom, als ’t maar geen moslims zijn

Eind jaren ’90 zaten de azc’s voller. We spraken er alleen beschaafder over, meent Leo Lucassen.

Het ligt voor de hand dat we ons bij de vluchtelingencrisis de vraag stellen wat we van eerdere ervaringen kunnen leren. Veelgenoemd kandidaat is de Eerste Wereldoorlog, toen Nederland (destijds 8 miljoen inwoners) vier jaar lang zo’n honderdduizend Belgen opving. Maar die vergelijking gaat op een aantal punten mank. Met name de identificatie van het katholieke volksdeel met hun zuidelijke geloofsgenoten en de centrale rol van het maatschappelijke middenveld bij de opvang springen in het oog. Betere kandidaat is de jaren negentig. Hoewel we vooral de Joegoslaven herinneren, vormden zij slechts een kwart van het totaal (27 procent). Ook toen kwamen de meesten uit het Midden-Oosten (Iran, Irak, Afghanistan) en Somalië (samen 45 procent). Vooralsnog is het grootste verschil het aantal. Destijds was dat veel hoger: 350.000 in de jaren negentig, tegen 130.000 asielzoekers vanaf 2010. Gezien de uitzichtloze situatie in Syrië, is het echter heel wel mogelijk dat we in het huidige decennium het record uit de jaren negentig gaan evenaren.

Meest opvallende verschil met de jaren negentig is niet zozeer herkomst of aantallen, maar de politieke atmosfeer. Als je maar durft te suggereren dat het aantal mensen in asielzoekerscentra eind jaren negentig bijna drie keer zo hoog was en nuchter vaststelt dat Nederland twintig jaar geleden niet is bezweken, dan krijg je op de sociale media de wind van voren. Met als belangrijkste verwijt dat je de angst van ‘het volk’ niet serieus neemt. Iedere poging feiten in het debat te laten doordringen en de huidige situatie in een historisch perspectief te plaatsen, wordt door velen uitgelegd als het bagatelliseren van de problemen, wegkijken, of nog erger, de mensen bewust een rad voor de ogen te draaien. Met als ultieme beschuldiging een NSB’er te zijn die zijn eigen volk verraadt.

Veelgehoorde argumenten van de tegenstanders zijn dat de huidige asielzoekers ‘nepvluchtelingen’ zijn, gelukszoekers, en dat de kans op verkrachtingen stijgt. Maar dat is niets nieuws, want die geluiden hoorde je ook al in de jaren negentig. Nieuw is de angst voor moslims. Door de jarenlange problematisering van ‘de islam’ denken velen dat vluchtelingen uit moslimlanden er op uit zijn om Europa (Eurabië) te veroveren. Daarnaast zijn mensen bang dat er IS-terroristen schuil gaan onder de vluchtelingen. Hoewel dat laatste niet is uitgesloten, hebben de Deense en Nederlandse geheime diensten daarvoor nog geen aanwijzingen gevonden. Het apocalyptische beeld van ‘Eurabië’ daarentegen is giftiger en doet denken aan de complotachtige antisemitische beschuldiging aan het adres van joden vóór de oorlog, die er op uit zouden zijn de wereld te beheersen. Daarmee zeg ik niet dat er geen problemen zijn met een kleine minderheid van radicale moslims in westerse samenlevingen (denk aan Charlie Hebdo), maar het idee dat ‘onze’ beschaving op het punt staat uit te sterven of dat wij ‘minderheid in eigen land worden’, zoals Martin Bosma van de PVV beweert, is gevaarlijke demagogie.

Belangrijkste verschil met de jaren negentig vormen dan ook Bosma en zijn partijleider Wilders. Vergeet de herkomst en de aantallen, het is de framing van moslimvluchtelingen als een Paard van Troje en de politieke mobilisering van angstgevoelens.

Wilders gaat er prat op als enige de angst serieus te nemen. Dat zou zijn oproep tot (geweldloos) verzet tegen de komst van azc’s legitimeren. In feite wakkert hij die angst aan, met alarmistische beelden en argumenten die vaak weinig met de realiteit te maken hebben. Als je dat echter zegt, dan zijn de rapen gaar en volgt onmiddellijk de beschuldiging dat je de problemen niet wil zien, gevolgd door de insinuatie dat je daarmee PVV-stemmers voor racisten of erger nog nazi’s uitmaakt. Over dit treurige, explosieve politieke niveau maak ik mij eerlijk gezegd veel meer zorgen dan over de vluchtelingen.