Waarom werd ik niet eerder boos?

Hij maakte luchtige, genuanceerde voorstellingen over zijn Turkse achtergrond, maar nu wil Sadettin Kirmiziyüz discriminatie serieus aan de kaak stellen.

Foto Roger Cremers

Hij is er klaar mee, zegt Sadettin Kirmiziyüz. Boos ook. De laatste jaren maakte de Turks-Nederlandse theatermaker (33) naam met geestige, genuanceerde voorstellingen over zijn achtergrond als kind van Turkse gastarbeiders. Hij deed verslag van een bedevaart met zijn vader (De vader, de zoon en het Heilige Feest, 2011) reconstrueerde het grillige levenspad van zijn broer, coffeeshophouder (What’s happenin’ brother? 2012). In de hitvoorstelling Somedaymyprincewill.com (2012) verdiepte hij zich in zijn zusje, geboren en getogen in Nederland, die onder invloed van een internetimam islamiseerde en trouwde in Turkije.

Subtiel kwamen in die voorstellingen zaken als religie, racisme en de multiculturele samenleving aan bod. Hij heeft de recensies er nog eens op nageslagen. „‘Grappig’, las ik vaak. En: ‘ontroerend.’” Zijn publiek werd wel aan het denken gezet, maar nog te vaak gunde hij het de opluchting van de lach, zegt hij nu. „Ik liet de zaak netjes van alle kanten zien, zonder me er zelf over op te winden. Nooit zei ik: dit is gewoon hartstikke fout.”

In zijn nieuwe voorstelling De radicalisering van Sadettin K. richt hij de blik op de samenleving, en op zichzelf. Die samenleving is hevig gepolariseerd, hijzelf is een ander mens dan twee jaar geleden. „Ik kan het niet meer opbrengen om lichtvoetig te tapdansen tussen twee culturen.”

Wat is er veranderd?

„Sinds ik vader werd, ruim een jaar geleden, voel ik een grotere verantwoordelijkheid voor de wereld. Ik ben me ervan bewust geworden dat alles wat ik doe invloed heeft op het leven van een ander. De vluchtelingenproblematiek, uitsluiting, de verharding van het debat, het houdt me meer bezig, en ik wil me actiever inzetten om vooroordelen, racisme en wij-zij-denken tegen te gaan.”

Hoe? Je besteedde in je voorstellingen steeds al aandacht aan maatschappelijke misstanden.

„Maar altijd luchtig en met humor. Mijn ouders, broer, zus en ikzelf, we zijn allemaal racistisch bejegend. Dat liet ik wel zien in mijn voorstellingen, maar zonder te oordelen. Ook in mijn persoonlijke leven lachte ik erom, en pareerde het. Nu denk ik: waarom heb ik me nooit kwaad gemaakt? Om mijn vader, die hier al 41 jaar woont, en er nooit bij zal horen. Om mijn zusje, die naar Turkije emigreerde omdat ze hier niet gelukkig was. In de voorstelling over haar zeg ik nergens: dat is verschrikkelijk! Nee, ik nuanceerde het, en maakte er grapjes over. Het lukt me nu steeds minder om die relativerende knipoog te maken.”

In zijn nieuwe voorstelling geeft Kirmiziyüz voorbeelden van racistische incidenten. Van de Turkenmoppen (‘Turkie turkie is niet dom’) die hij moet incasseren, tot de vriend van wie hij bij toeval ontdekt dat die hem achter zijn rug ‘Turkmenistan’ noemt. Of de keer dat hij met zijn fiets uitstapte uit de trein, en direct een karatetrap tegen zijn borst kreeg, van een jongen die, afgaand op Kirmiziyüz’ Turkse uiterlijk, onmiddellijk aannam dat die zijn fiets had gejat. Het gebeurt hem geregeld dat in een volle treincoupé de plaats naast hem leeg blijft, zegt hij. „Met deze voorstelling wil ik nu eens laten zien: dit gebeurt, continu, en het is... Heel... Pijnlijk.”

Ben je achteraf ook kwaad op jezelf? Dat je racisme tolereerde en geen grens hebt gesteld?

„Ja, dat denk ik wel. Mijn defensiemechanisme was humor. Ik maakte een grap en haalde mijn schouders op, probeerde erboven te staan. Pas kort geleden ben ik begonnen met zeggen: nee, racisme accepteer ik niet. Mijn eerdere voorstellingen zou ik niet op dezelfde manier meer kunnen maken, omdat ik over die onderwerpen nooit meer zo schouderophalend, zo luchtigjes zou kunnen zijn. Want mijn grootste angst is…”

Dat je zoon dat ook gaat doen.

„Dat hij het me kwalijk zal nemen. Dat hij zal zeggen: jij had een positie, een podium, een publiek. Je had een statement kunnen maken. En dat heb je nooit gedaan.”

Wat voor voorbeeld stelde jouw eigen vader?

„Mijn vader heeft het goed gedaan; die relativerende levenshouding was mijn eigen keuze. Hij heeft ons altijd geleerd: niet vechten, niet stelen, geef mensen geen reden om te zeggen: zie je wel! Maar hij heeft nooit gezegd: censureer jezelf. Mijn vader had drie banen om ons alle kansen te geven. Hij heeft altijd zijn bijdrage geleverd, dertig jaar CDA gestemd. Toen het CDA met de PVV in zee ging heeft hij zich wel eens hard over Wilders uitgelaten. Daar werd ik een keer kwaad om – ‘pa, dat kun je niet zeggen!’ en toen wees hij mij terecht: ‘Sadettin, jij hebt echt géén idee. Jij hebt linkse ruimdenkende vrienden die jou mateloos interessant vinden, en je krijgt geld om voorstellingen over je Turkse achtergrond te maken. Maar ik word achter mijn rug uitgelachen door mijn collega’s. Jij kent de wereld niet op die manier, en daar ben ik heel blij om. Maar ga mij hierin niet de les lezen.’ Dat was confronterend.”

Ben je kritischer dan voorheen op de Nederlandse samenleving?

„Absoluut. Nederland is de laatste decennia natuurlijk enorm opgeschoven naar luidruchtig populistisch rechts. Dat zie je terug in het vluchtelingendebat. In de jaren negentig waren migranten en allochtonen een soort Foster Parents-kindjes: die hadden het moeilijk en die moest je helpen. Nu twitteren mensen: 800 verdronken vluchtelingen, dat scheelt weer uitkeringen.

„Ik denk niet dat er nu méér racisme is, maar het is wel zichtbaarder. De online-bagger alleen al. Op een site als ‘Nederland mijn vaderland’ staan onder het mom van humor walgelijke dingen. Zoals: ‘Nu het Big Brotherhuis leegstaat kunnen we daar vluchtelingen opvangen, en elke dag iemand wegstemmen.’ Vroeger had ik het nooit gedaan, maar sinds kort reageer ik daarop.

„Dit soort teksten zie je trouwens ook bij De Telegraaf of het AD. De teneur is: ik ben heus niet racistisch maar ik geef wel mijn mening. Dan zeg ik: prima, zeg wat je vindt, maar die mening is wél racistisch. Erken dat.”

Is dat racisme niet ook deels te verklaren uit een reële angst voor islamitische terreur?

„Zeker, en dat begrijp ik ook goed. Maar het is belachelijk om mij vervolgens te gaan vragen ‘waar ik sta’, zoals sommige kennissen hebben gedaan, of om van moslims te eisen dat ze ‘afstand nemen’ van gruweldaden, alsof we opeens niet langer dezelfde menselijke waarden delen.”

In het theater was dit soort morele verontwaardiging lang taboe.

„Maar het wordt wel weer eens tijd, vind je niet? We kunnen niet eens meer normaal met elkaar omgaan, joh! Theater is bij uitstek de plek om dat aan te kaarten, en alternatieven te formuleren.”

Zoals?

„In de dagelijkse omgang kan het kleinste beetje aardigheid al helpen. Het maakt uit of je de ander groet of niet; desinteresse en botheid zijn olie op het vuur. De onverschilligheid waarmee we elkaar hebben genegeerd is niet meer houdbaar. Die houding van ‘zolang ik er geen last van heb, vind ik alles best’, is als een boemerang terug in ons gezicht geslagen en heeft geleid tot verwijdering en rancune tussen bevolkingsgroepen. Nee, we moeten ons juist met elkaar bemoeien, blijven praten, grenzen stellen, bijsturen. Want dan maak je echt contact en kom je tot oplossingen. Zo wil ik nog eens een demonstratie tegen vluchtelingen bijwonen. Gewoon op het Malieveld staan, zien hoe die demonstranten reageren op mijn Turkse hoofd. Wat denken ze over migranten, en waarom? Waar zijn hun angsten en oordelen op gebaseerd? Die discussie wil ik aangaan.”

Merkt jouw directe omgeving veel van die nieuwe houding?

„Als een vriend nu een Turkenmop maakt, zeg ik wel eens: laten we even naar die Turkse bakker daar gaan; zeg je dat dan ook tegen hem? Misschien lijk ik cynischer dan vroeger. Maar ik ben ook hoopvoller. Dat gevoel van verantwoordelijkheid is niet alleen een last, maar ook een mogelijkheid. Als we nu beginnen, dan gaat het met de generatie van mijn zoontje straks al beter. Ja, ik denk echt dat het helemaal goed kan komen.”