Vertrek politiechef tekent crisis

Hoogste politiebaas weg. Minister moet iemand anders zoeken om vastgelopen reorganisatie af te maken.

De korpschef van de Nationale Politie Gerard Bouman acht zichzelf niet meer in staat de compleet vastgelopen reorganisatie van de politie vlot te trekken. Hij heeft vandaag bekendgemaakt dat hij zijn functie zal neerleggen.

Bouman had voor vanmiddag 12 uur de volledige politietop bijeengeroepen in Den Haag om ze te informeren over zijn vertrek. Zijn positie was onhoudbaar geworden door aanhoudende problemen bij de politie: van personele problemen tot de haperende recherche. Bouman (63 jaar) stapte in 2011 als hoofd van de inlichtingendienst AIVD over naar de politie, op verzoek van toenmalig minister van Veiligheid en Justitie Ivo Opstelten. Hij moest 26 politiekorpsen samenvoegen tot één korps.

Vorige maand werd bekend dat de vorming van één nationale politie drie jaar langer gaat duren dan gepland. De reorganisatie pakt ook dubbel zo duur uit, de geraamde kosten zijn nu 460 miljoen euro in plaats van 230 miljoen. In de recent vastgestelde ‘herijking’ van het reorganisatieproces werd geconcludeerd dat een „fundamentele herbezinning op de oorspronkelijke plannen” nodig is. Minister Van der Steur (Veiligheid en Justitie, VVD) had een maand geleden scherpe kritiek op het functioneren van de recherche.

In een interview met NRC zei Bouman in augustus nog lang te zullen blijven. „Ik ben benoemd tot 1 januari 2019 en ik ben vast van plan die termijn vol te maken. [...] Het belangrijkste is dat de politieprestaties nog nooit zo goed zijn geweest als nu.” Vandaag schrijft Bouman op zijn blog. „Het zijn de zwaarste vijf jaar uit mijn hele loopbaan.” Hij wil dat een ander „de immense klus” afmaakt.

Meest genoemde kandidaten voor de opvolging van Bouman zijn Erik Akerboom, secretaris-generaal van het ministerie van Defensie, Frank Paauw, chef van de politie in Rotterdam en Pieter-Jaap Aalbersberg, baas van de politie in Amsterdam.

Het vertrek van Gerard Bouman is een succes voor de machtige politievakbonden. Zij drongen al maanden bij minister Van der Steur aan op zijn vertrek. De bonden namen het Bouman kwalijk dat hij weigerde nadrukkelijk steun uit te spreken voor de aanhoudende cao-acties. Op demonstraties liet de korpschef zich nooit zien.

Het is overigens nog maar de vraag of de politiebonden – die niet vooraf waren geïnformeerd over het opstappen van Bouman – tevreden zijn met alleen het vertrek van de korpschef. Ook de plaatsvervanger van Bouman, Ruud Bik, kan op weinig steun rekenen van de bonden.

Van der Steur noemt het opstappen van Bouman „een moedig en wijs besluit”. Het vertrek zou het gevolg zijn van het feit dat Bouman toch niet meer voor zijn pensioen de reorganisatie had kunnen afronden. De bewindsman spreekt „waardering” uit voor het „ongelofelijke werk” dat Bouman de afgelopen jaren verrichtte.

De voorzitter van de centrale ondernemingsraad van de politie, Frank Giltay, noemt het vertrek „een klap voor het bedrijf”. Bouman is volgens Giltay „in hart en nieren een politieman” die echter „door tegenwerking van ministerie en bonden bezig was met een mission impossible”. Giltay denkt niet dat iemand „in staat is deze ongelooflijk ingewikkelde klus te doen”. Het moet iemand „van buiten” de huidige kring van politiechefs zijn maar ook „geen directeur van een pindakaasfabriek”.