Primeur: aangeklaagd voor vernietigen werelderfgoed

Ahmad Al-Mahdi moest in Den Haag voorkomen voor het vernielen van graven in Timboektoe.

Ruines van de graftombe van Alpha Moya Lamtouni , heilige en filosoof, in 1605 gedood door Spaanse troepen. Foto Eric Feferberg/AFP

Het was een onverwachte verdachte die gisteren zijn opwachting maakte voor het Internationaal Strafhof in Den Haag. Ahmad Al-Faqi Al-Mahdi wordt ervan verdacht in 2012 een leidende rol te hebben gespeeld bij het aan puin slaan van negen graftombes van heiligen/filosofen en een moskee in de historische stad Timboektoe, in het noorden van Mali. De vernietiging van dit cultureel erfgoed, vergelijkbaar met het opblazen in 2001 van de Afghaanse boeddha’s in Bamiyan door de Talibaan, trok destijd internationaal grote aandacht.

Zaterdagochtend werd Al Mahdi, alias Abou Tourab, naar eigen zeggen ongeveer veertig jaar oud, vanuit Niger overgevlogen naar het gevangeniscomplex van het Strafhof. „Een belangrijke stap voorwaarts in de strijd tegen straffeloosheid, niet alleen in Mali maar in de hele regio van de Sahel en Sahara in Afrika”, reageerde hoofdaanklager Fatou Bensouda.

De zaak tegen de Malinees is om verschillende redenen belangrijk. Het is voor het eerst dat het Strafhof een verdachte van een islamitische terreurgroep in het vizier heeft. En het is voor het eerst dat de aanklager vernietiging van historisch en religieus erfgoed onder de noemer ‘oorlogsmisdaden’ schaart zodat men er een proces tegen kan beginnen.

De misdaden in Timboektoe dateren van 2012. In het kielzog van een Toeareg-revolte rukten radicaal islamitische strijdgroepen op in Noord-Mali. Die opmars werd pas in januari 2013 gestuit door een Franse interventiemacht. Al-Mahdi behoorde tot Ansar ud-Din (‘Verdedigers van het geloof’), een streng-islamitische groep Toearegs die streven naar invoering van de shari’a in Mali en banden onderhouden met Al-Qaeda. Vernietiging van tombes van heiligen en voorvaderen paste in haar rigide interpretatie van het geloof.

Opsteker voor het Strafhof

In een opzicht is de zaak tegen Al Mahdi nu al een opsteker voor het Strafhof. Vanuit Afrika is de afgelopen tijd fel campagne gevoerd tegen het Hof, omdat het alleen maar Afrikaanse verdachten in de beklaagdenbank zou zetten. Maar nu zijn er ook twee Afrikaanse landen die duidelijk hun steun aan de internationale rechtspraak betuigen. Mali, en buurland Niger dat Al Mahdi soepel heeft uitgeleverd aan het Hof. Niger voelt zich zelf bedreigd door terreurgroepen in de Sahel.

Volgens de Malinese blogger Fatouma Harber uit Timboektoe, die nog les heeft gegeven aan Al Mahdi, is hij een geradicaliseerde jongen uit een dorp in de buurt van Timboektoe. Hij heeft meegedaan aan de vernielingen, maar hij was niet een van de grote leiders van de jihadistische bezetting in 2012. Die blijven buiten schot, schrijft ze op haar blog.

Dat laatste is overigens nog de vraag. Toen Mali in 2012 om interventie van het Strafhof vroeg, wees de regering in de eerste plaats op de vele andere oorlogsmisdaden en mensenrechtenschendingen. Aanklager Bensouda liet zaterdag weten vertrouwen te hebben dat ook plegers van die misdaden in Mali nog voor de rechter zullen komen.

Met andere woorden: de zaak tegen Al Mahdi is nog maar het begin. Dat zou kunnen duiden op een strategiewijziging. Vanuit Kenia moesten president Uhuru Kenyatta en vicepresident William Ruto zich voor het Hof verantwoorden. Aanklager Bensouda beet daarbij in het zand, mede door efficiënte Keniaanse tegenwerking. Nu denkt ze meer kans van slagen te hebben door zaken van ‘onderaf’ op te bouwen. Niet gelijk de grote vissen proberen te vangen maar het net langzaam sluiten.

In januari wordt de zaak vervolgd. Dan zal de rechter oordelen of de aanwijzingen van de aanklager tegen Al Mahdi hard genoeg zijn om het proces echt te openen.