Column

Na de deal

Hoe klinkt de conversatie tussen twee zeer moedeloze mannen? Ik heb er een interessant voorbeeld van. Het gaat om twee oudere mannen die op hun beste momenten een jongensachtig enthousiasme kunnen uitstralen, reden waarom ik ze alleen met hun voornaam zal aanduiden: Alexander en Wim.

Ze kwamen deze week ontgoocheld bij elkaar in een kantoor van het Rijksmuseum. Wim had net even De Nachtwacht afgestoft en voegde zich, de stofdoek nog in de hand, bij Alexander. „Shit”, zei hij, „heb ik daarvoor mijn nek uitgestoken?”

Alexander ging zuchtend verzitten, als iemand die goed getafeld heeft en nu enige ruimte nodig heeft om zijn ingewanden het karwei te laten afmaken. „Wat dacht je van mij? Ik heb me uit de naad moeten kletsen bij collega-fractievoorzitters om het erdoor te krijgen. Ze hadden allemaal wat te zeuren, en ik heb ze met alle geduld van de wereld uitgelegd waarom het Rijk hier 80 miljoen in móést stoppen. Uiteindelijk verzette zelfs de blonde held uit Venlo zich niet meer – wat toch wat wil zeggen.”

Wim knikte. „Aan jou heeft het niet gelegen. Nadat ik jou had gepaaid, hoefde ik weinig meer te doen. Het liep op rolletjes, vooral toen Jet bereid was om te doen alsof er nooit enige afspraak met die Franse patjakkers was gemaakt.”

„Achteraf vraag ik me af of Jet het in diplomatiek opzicht wel helemaal goed heeft aangepakt”, zei Alexander. „Had ze er niet méér uit kunnen krijgen? Ik had het als minister graag van haar overgenomen.”

Wim haalde zijn schouders op. „Moeilijk te zeggen. Die Fransen schrokken zich rot toen de consequenties van mijn deal met De Rothschild tot hen doordrong. Wég cultureel erfgoed! Hollande moet zijn minister hebben teruggeroepen. Misschien had Rutte zich er toen meteen mee moeten bemoeien.”

Alexander schoot in een valse lach. „Die vindt Heineken veel belangrijker!”

„Toen Hollande erbij kwam, wist ik dat alles verloren was”, zei Wim. „En dan te bedenken dat hij tevoren nooit van die schilderijen gehoord had.”

„Ik eigenlijk ook niet”, zei Alexander met ontwapenende eerlijkheid – hij wist dat het toch niet in de krant zou komen. „Als jij me niet had omgepraat, zou ik nooit geweten hebben wie Maerten Soolmans en Oopjen Coppit waren.”

„Jet evenmin”, stelde Wim hem gerust, „die vroeg me nog: wil je die namen even voor me opschrijven?”

„Om je de waarheid te zeggen”, zei Alexander die grote behoefte had om zijn bedroefde hart eindelijk hélemaal uit te storten, „ik vond het nogal saaie schilderijen. Vooral die vrouw kon me niet tot enige staat van opwinding brengen. Jou wel?”

„Ach”, zei Wim, „bezoekersaantallen, daar gaat het om. We krijgen nu maar de helft – en dat doet pijn, érge pijn.”

Alexander zweeg. Hij dacht aan de politieke faam die hij had kunnen verwerven als de complete aankoop was doorgegaan; nu moest ook hij genoegen nemen met de helft – die misschien ook nog Oopjen Coppit heette. „Wie van de twee zou jij willen kopen?”, vroeg hij toonloos.

Wim lachte smalend. „Kan mij het schelen. Ik las dat Dijsselbloem vindt dat het Rijk niet alléén voor de aankoop moet opdraaien. Nou, hij bekijkt het maar, Wim heeft genoeg gebedeld, Wim doet voorlopig alleen het onderhoud.” Hij klopte zijn stofdoek uit en liep zonder te groeten weg.