La start-up geeft Franse bedrijven weer vleugels

De Franse technologiesector groeit flink. Ook investeerders weten de Parijse start-up scene inmiddels te vinden. „Frankrijk brengt de slimste ingenieurs van de planeet voort.”

Franse start-ups noteerden vorig jaar gemiddeld 37 procent omzetgroei. Ritjesdeler BlaBlaCar (links) en online autoverhuurder Drivy konden flink uitbreiden.

De Franse economie is nog lang niet hersteld van de crisis, maar met één bedrijfstak gaat het beter dan ooit. In de technologiesector groeit het aantal banen hard en na een aantal klinkende successen weten investeerders nu ook de Parijse start-up scene te vinden. 759 miljoen euro haalden Franse techbedrijven in het eerste half jaar van 2015 op, becijferde EY onlangs. In Europa deed alleen het Verenigd Koninkrijk het beter.

Terwijl klassieke bedrijven klagen over een overheid die bedrijven tegenwerkt, zijn jonge whizzkids met een voor Franse begrippen ongekend non-conformisme gewoon aan het werk. Bijvoorbeeld bij online autoverhuurder Drivy. Het nieuwe kantoor is nog een beetje rommelig, verontschuldigt oprichter Paulin Dementhon zich maar meteen. „We zijn net verhuisd, we hadden iets groters nodig.”

Maar de kale etage tegenover een van de vele seksbioscopen aan de Rue Saint-Denis in Parijs, is nu al onmiskenbaar die van een snel groeiend techbedrijf. Behalve alle jonge mensen achter grote computerschermen, springt ergens boven een comfortabele hangbank een basketbalkorf in het oog. Daarnaast liggen twee enorme netten met bontgekleurde balletjes voor het in aanbouw zijnde ballenbad. „Voor de ontspanning”, lacht Dementhon besmuikt. „Een kleintje maar hoor.”

Drivy, in 2010 begonnen als VoitureLib, voorziet net als het Nederlandse SnappCar in autoverhuur onder particulieren. Het bedrijf heeft inmiddels zo’n 700.000 leden (tegenover 40.000 voor SnappCar). Nadat Drivy de afgelopen jaren totaal 16 miljoen euro ophaalde, heeft het kunnen uitbreiden naar Spanje en Duitsland, waar concurrent Autonetzer werd overgenomen. Dit jaar al groeide Drivy van 30 naar 47 personeelsleden in Parijs, in het buitenland zijn nog eens acht mensen in dienst.

Vastgeroest land

Het bedrijf van de 36-jarige Dementhon is nog relatief klein, ook voor Franse begrippen. Maar ook andere namen van Franse techbedrijven zijn in de niet-Franssprekende wereld minder bekend dan die van hun Angelsaksische evenknieën. Toch doet ‘La French tech’ het steeds beter.

Neem Criteo, dat op internet reclame levert die aansluit op het surfgedrag van de gebruiker: in 2005 begonnen, eind 2013 naar de beurs in New York en nu een marktwaarde van zo’n 2 miljard euro. Of online muziekdienst Deezer, een concurrent van Spotify. Die kondigde deze maand een beursgang aan en wordt op zo’n 1 miljard gewaardeerd. Frankrijks nieuwste unicorn, zoals dat in investeringskringen heet, is autoritjesdeler BlaBlaCar: ook al een marktwaarde boven de één miljard.

Maar Frankrijk, dat was toch een vastgeroest land waar het lastig ondernemen is?

Dat is een „mythe”, lacht Dementhon, onderuitgezakt naast de gekleurde ballen. „In Hongkong kost het misschien drie uur om een bedrijf op te zetten en in Frankrijk drie dagen. Maar dat maakt het verschil niet.” Het was lang wel lastig om de volgende stap te maken: te groeien, liefst naar het buitenland. „Grote investeerders in de VS en in Londen zagen niet wat hier gebeurde”, zegt hij. „Het is makkelijk als je in Silicon Valley gaat zitten, dan weet je dat ze op gegeven moment op de stoep staan. Daar is het geld, daar is de innovatie.”

Parijs heeft de achterstand snel ingehaald, meent durfinvesteerder Marie Ekeland. Zij werkte tot vorig jaar bij private equity-fonds Elaia Partners, waar ze Criteo en andere Franse start-ups liet groeien. Inmiddels werkt ze voor zichzelf onder de naam Daphni en zit ze nog in de board van Criteo en Parrot, de Franse producent van draadloze apparaten als drones. „We krijgen nu terecht alle aandacht”, zegt ze.

Ekeland is mede-oprichter van France Digitale, een lobbygroep voor de belangen van het Franse ‘digitale ecosysteem’. „Als het in de verkiezingscampagnes van 2012 over de economie ging, dan sprak men altijd over traditionele industrie: staalfabrieken en autobouw. Kwam de digitale economie aan bod, dan ging het alleen over de bedreiging voor de auteursrechten”, herinnert ze zich. Daar wilde ze iets aan doen.

De Parijse beursindex bevestigt de traditie. „Terwijl enkele van de grootste Amerikaanse bedrijven in de laatste dertig jaar zijn opgericht, ligt de gemiddelde leeftijd in de CAC40 op 101 jaar”, zegt Ekeland. „We zijn in Frankrijk gewend aan eenmanszaken en aan heel grote familiebedrijven. Uit het niets snel groeiende zaakjes, daar wisten we geen raad mee.”

Dus toen de regering-Hollande eind 2012 voorstelde om de belasting bij overnames te verhogen, kwam France Digitale meteen in verzet. En met succes: het plan werd teruggedraaid. In een kwakkelende economie noteerden Franse start-ups volgens een representatieve steekproef van EY afgelopen jaar gemiddeld 37 procent omzetgroei. Het aantal banen in de sector nam in met 30 procent toe. „Uit alle cijfers blijkt dat in Frankrijk potentieel meer economische groei en banencreatie te halen is uit de digitale economie, dan uit de traditionele”, rekent Ekeland voor.

Taal blijft een probleem

Dat Franse bedrijven tot nu toe niet altijd buiten de Franse grenzen succes vonden, komt vooral door de comfortabele grootte van de markt, denkt bestuursvoorzitter Olivier Mathiot van online verkoopsite PriceMinister. „Je kunt als bedrijf prima bestaan van die 66 miljoen Fransen. Dan hoef je niet al je systemen te vertalen of je open te stellen voor andere culturen”, zegt hij. „Begin je in een kleiner land, dan houd je direct rekening met de rest van de wereld.”

Taal blijft een probleem, meent Dementhon van Drivy. „Ik vind dat wij te Frans zijn. We hebben nu een Italiaan aangenomen, zodat we verplicht worden hier Engels met elkaar te praten.” Om te internationaliseren, zijn buitenlandse medewerkers nodig. Maar die gaan eerder naar Berlijn of naar Londen. „Frankrijk heeft nog niet het imago als land waar je moet zijn”, erkent Liam Boogar, een Amerikaan uit Menlo Park (Silicon Valley) die in Parijs de populaire Engelstalige techblog Rude Baguette runt.

Ze klagen bovendien vaak over strikte arbeidswetgeving, die ondernemers ervan weerhoudt personeel aan te nemen. Maar dat is onzin, zegt Boogar in een Parijse Starbucks waar hij kantoor houdt. „Natuurlijk zijn er veel regels, maar je denkt toch niet dat beginnende ondernemers zich afvragen of ze mensen wel makkelijk genoeg kunnen ontslaan? Ze willen de beste mensen vinden en die behouden!”

De belangrijkste Franse troef: het technische onderwijs. „Ik ben ervan overtuigd dat de Franse Grandes Écoles de slimste ingenieurs van de planeet voortbrengen”, zegt Boogar. Hij roemt de academische benadering. „In veel Angelsaksische landen is het prestigieus om advocaat of arts te worden”, zegt ook Dementhon. „In Frankrijk heb je maatschappelijk aanzien als je de École Polytechnique hebt gevolgd.”

Duizenden Franse ingenieurs werken in Californië en in Londen, maar in Parijs kunnen ze tegenwoordig ook zo aan de slag. Boogar: „Successen als Criteo, Deezer en BlaBlaCar laten zien dat je Frankrijk prima kunt wat elders ook kan. En meer.”