Klimaat? Nu doen China en Brazilië het meest

Alle grote landen hebben nu bekendgemaakt wat ze gaan doen om klimaatverandering te stoppen. Alleen: het is niet genoeg.

Een dorp tussen twee kolenmijnen in India. Het land maakt vandaag bekend wat het gaat doen aan CO2-reductie. Foto Jonas Gratzer/LightRocket / Getty

Vandaag alleen India nog, en dan zijn de beloftes van de grootste vervuilers binnen. In de aanloop naar de klimaattop in Parijs, in december, mogen landen zelf bepalen wat ze bereid zijn te doen om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Al die plannen worden bij elkaar opgeteld om te beoordelen of het voldoende is om de temperatuurstijging te beperken tot 2 graden Celsius, omdat een verdere opwarming kan leiden tot toenemend gevaar voor de leefomgeving van mensen.

Deze aanpak is nieuw en moet de al jaren voortslepende onderhandelingen vlottrekken. Dat is nodig, want bestaande afspraken over de reductie van broeikasgassen, die bijdragen aan klimaatverandering, zijn tot nu toe zelden nagekomen. De Verenigde Staten verwezen het eerste verdrag, in 1997 gesloten in Kyoto, al naar de prullenbak voordat het in werking trad. Canada trok zich op het laatst terug toen bleek dat de doelstelling lang niet werd gehaald. Japan lukte dat wel, maar alleen met allerlei kunstgrepen, zoals extra bomen planten en massaal emissierechten in andere landen opkopen.

In 2009 mislukte de klimaattop in Kopenhagen. De hooggespannen verwachtingen werden niet waargemaakt, omdat landen alleen nog maar met de beschuldigende vinger naar elkaar wezen. Europa en de VS vertrouwden elkaar niet. Arme en rijke landen waren het fundamenteel oneens. China, de grootste vervuiler van allemaal, hield vol dat het als ontwikkelingsland geen verplichtingen had. Landen als Saoedi-Arabië en Rusland, maar ook Australië en Canada, probeerden de onderhandelingen te traineren.

Daarom is nu besloten de werkwijze om te draaien. Iedereen doet wat hij kan. Geen verplichtingen meer maar beloftes, harde beloftes. En pas daarna kijken of het genoeg is. De vraag of dit het beste resultaat oplevert, doet er niet toe. Het is het hoogst haalbare. De grootste vervuilers China en Amerika doen alleen onder deze voorwaarden mee.

Onder het tapijt

Het grote voordeel is dat voor iedereen zichtbaar wordt welke rol landen voor zichzelf zien en hoe ver ze bereid zijn te gaan. Ook al proberen sommige landen – zoals Nieuw-Zeeland, Japan en Rusland – hun gebrek aan ambities te verhullen achter onduidelijke maatregelen en vage rekenmethodes. Ook al vegen andere landen jaren van onbelemmerde uitstoot onder het tapijt door de keuze van een gunstig referentiejaar. En ook al stellen landen soms voorwaarden aan hun eigen beloftes.

Toch vallen de beloftes goed met elkaar te vergelijken. Het UNEP, het milieuprogramma van de Verenigde Naties, en onafhankelijke organisaties als het World Resources Institute en de Climate Action Tracker hebben alle lucht uit de afspraken gehaald en alles teruggerekend naar het jaar 1990. Dat geldt officieel als ijkjaar, omdat toen op de Earth Summit in Rio de Janeiro het milieuverdrag werd ondertekend dat de basis vormt voor alle milieuonderhandelingen sindsdien.

Dan blijkt dat Brazilië en China relatief de grootste beloftes doen. De Europese Unie is een middenmoter, net als de VS. Rusland en Australië bungelen ergens onderaan. En hoewel India zijn beloftes vandaag pas officieel publiceert, is voldoende duidelijk wat de plannen zijn. Het land lijkt de rol van China over te nemen als aanvoerder van de arme landen: economische groei en armoedebestrijding staan voorop, en de toezeggingen zijn voorwaardelijk - de rijke landen zullen moeten betalen.

Gat in de klimaatbegroting

De belangrijkste conclusie is dat alle beloftes bij elkaar nog steeds een groot gat opleveren in de ‘klimaatbegroting’. Bij ongewijzigd beleid is de temperatuur aan het eind van deze eeuw waarschijnlijk gestegen met 4,1 tot 4,8 graden Celsius (ten opzichte van het begin van de industrialisatie). In het ideale geval, als alle landen zich echt aan hun Parijse beloftes gaan houden, is het aan het eind van deze eeuw ongeveer 3 graden warmer geworden. Nog steeds veel meer dan is afgesproken.

„Je zou verwachten dat alle doelstellingen opgeteld de wereld naar een lage uitstoot zouden leiden, maar dat is niet zo”, zegt Louise Jeffery van het klimaatinstituut in Potsdam. „Als de top in Parijs deze afspraken vastlegt voor 2030, zal het heel moeilijk worden om onder de 2 graden te blijven”, vreest Bill Hare van Climate Analitics. „Met deze beloftes moeten we niet verder kijken dan 2025.” Daarna zullen extra maatregelen nodig zijn.

Eigenlijk zouden de landen hun doelstellingen nog voor de top in Parijs moeten herzien, vindt Niklas Höhne van het NewClimate Institute. Maar op deze korte termijn zal dat niet meer gebeuren. En dus pleit Kornelis Blok van Ecofys, een adviesbureau voor duurzame energie, ervoor om in het akkoord van Parijs ook afspraken op te nemen over een herziening en aanscherping van de plannen in de komende jaren.

Toch zitten er ook voordelen aan de nieuwe aanpak. Het kan het klimaatbeleid eindelijk wereldwijd in beweging brengen en landen kunnen elkaar aanspreken op hun toezeggingen – al zullen de mogelijkheden tot controle en de juridische status van de beloftes in Parijs zeker nog tot heftige discussies leiden.

Bovendien biedt deze aanpak mogelijkheden voor bedrijven, steden en deelstaten om een duit in het zakje te doen. Zij dringen al langer aan op een plaats aan de onderhandelingstafel. De Chinese megastad Guangzhou heeft bijvoorbeeld nu een eigen belofte gedaan, Californië voert een veel strenger klimaatbeleid dan de federale overheid in de VS en steeds meer bedrijven (van IKEA tot KPN, van Nestlé tot Walmart) doen concrete toezeggingen over klimaatneutraliteit van hun productieproces.

De verwachtingen in Parijs zijn minder hooggespannen dan in 2009 in Kopenhagen. Maar de kans dat er een serieus akkoord wordt gesloten, is wel een stuk groter. Dat betekent niet dat het gemakkelijke onderhandelingen zullen worden. Zo zal er stevig onderhandeld worden over vervolgafspraken. En ook nu zullen extra inspanningen worden geëist van de geïndustrialiseerde landen.

Ontwikkelingslanden willen bovendien toegang tot de technologie die rijke landen in staat stelt hun klimaatbeleid uit te voeren – maar die rijke landen zullen hun kennis niet zomaar delen. Sommige kwetsbare landen zien zichzelf als slachtoffer van de opwarming. Ze hebben er nauwelijks aan bijgedragen, maar worden het hardst getroffen. Zij zullen daarvoor compensatie eisen van de geïndustrialiseerde wereld.

100 miljard dollar

Maar de financiering van klimaatbeleid vormt volgens de Franse president François Hollande, gastheer van de klimaattop, „de sleutel” voor een akkoord. Er moet een fonds komen waarin jaarlijks 100 miljard dollar wordt gestort voor klimaatbeleid in ontwikkelingslanden. Als dat geld er niet komt, bestaat het gevaar dat arme landen een klimaatakkoord zullen afwijzen. Al was het maar omdat een deel van de beloftes die zij hebben gedaan uit die pot moeten worden betaald. Het fonds is nog lang niet gevuld.

Eén ding weet Hollande zeker: „Zonder stevige afspraken over de financiering, komt er geen akkoord.” Hij zou daarom het liefst willen dat er nog vóór de top een principeakkoord ligt over de financiering. De vooruitzichten zijn niet gunstig. En dan zou Parijs in dezelfde chaos kunnen eindigen als de conferentie in Kopenhagen, toen de regeringsleiders zelf aan het onderhandelen sloegen. Daar bleken ze niet zo goed in te zijn.