‘Eigen kracht is niet iemand aan zijn lot overlaten’

Probleemgezinnen moeten steeds vaker hun eigen problemen oplossen. Maar: „de term ‘eigen kracht’ wordt misbruikt”.

Hedda van Lieshout, bestuurder van de Eigen Kracht Centrale, baalt ontzettend. Haar stichting helpt hulpbehoevende burgers om zelf een plan te maken ter verbetering van de eigen situatie. Eigen kracht pur sang. Maar de term wordt door gemeenten systematisch misbruikt, vindt ze. Nu weer in Zoetermeer.

Inspectie Jeugdzorg onderzoekt de toedracht van de dood van een 22-jarige zoon uit een Zoetermeers probleemgezin. Hij werd afgelopen april dood aangetroffen tussen zijn eigen uitwerpselen in een huis waar zijn licht verstandelijk beperkte broertjes en zusje al jaren worden verwaarloosd. Hun ouders kampen vermoedelijk met eenzelfde beperking. In een artikel, afgelopen zaterdag in deze krant, stelden hulpverleners dat te laat is ingegrepen.

De gemeente Zoetermeer ging uit van de eigen kracht van het gezin. Dit is geen uitzondering, zegt Van Lieshout. „Veel gemeenten doen alsof eigen kracht betekent: zoek het zelf maar uit, burger. Een enorme misvatting.”

Wat is de misvatting precies?

„Eigen kracht is een mantra geworden. Gemeenten vertalen het in het keukentafelgesprek naar de vraag: wie van uw familie of vrienden kan iets voor u doen? Heeft u nog een broer, die boodschappen kan doen? Kan uw kind niet stofzuigen?”

Dat is een misinterpretatie?

„Zeker. De vraag aan de burger moet niet zijn: kan uw broer u niet helpen? Dan krijg je als antwoord: nee, want mijn broer heeft het te druk. Nogal wiedes, want die broer heeft het ook echt druk. Bovendien wil de burger z’n broer niet opzadelen met zijn eigen sores. Stel, er zijn opvoedproblemen in een gezin. Dan moet dit de vraag aan de ouders zijn: zijn er mensen om u heen die het net als u belangrijk vinden dat het goed gaat met uw kinderen? Zo ja, zouden die willen meedenken?”

Probleemgezinnen hebben vaak nauwelijks een ondersteunend netwerk.

„Er zijn bijna altijd meer mensen om zo’n gezin heen dan je denkt. Die zitten alleen niet te wachten op een takenlijstje, maar willen komen tot een echte oplossing. Stel, de moeder antwoordt: mijn broer wil wel meedenken. Dan ga je naar die broer, en die stel je dezelfde vraag: wie vindt het nog meer belangrijk dat het goed gaat met uw neven en nichten? Zo maak je de kring groter. Vrienden, familie, docenten, ouders van kinderen die ook op het speciaal onderwijs zitten.”

Wat moeten die doen, behalve meedenken?

„Een plan maken. De Jeugdwet noemt dit zelfs een recht: elk gezin mag zijn eigen ‘familiegroepsplan’ maken. Bijvoorbeeld als de veiligheid van een kind in het geding is.”

En de professionals dan, die al hulp verlenen aan zo’n gezin?

„Die betrek je er ook bij. Dat is essentieel. Eerst breng je het informele netwerk van zo’n gezin in kaart. Die nodig je uit op een bijeenkomst. De hulpverleners zijn er ook bij, die vertellen wat de voorwaarden van het plan moeten zijn. Bijvoorbeeld: het huis moet in elk geval schoon zijn, en de kinderen moeten drie maaltijden per dag krijgen. Vervolgens smeden die tantes en buren en vrienden samen hun plan, de één kookt ’s weekends een maaltijd, de ander helpt met de was.”

Die drukke vrienden en buren hebben tijd voor dat koken en wassen?

„Ja, daar komen ze zelf mee, is onze ervaring na tienduizend van dit soort conferenties in vijftien jaar tijd. Want de regie is niet afgepakt, maar bij hen blijven liggen. Dán gaan mensen verantwoordelijkheid nemen. En het is niet vrijblijvend: want zo’n tante die belooft te komen koken zegt dat op zo’n conferentie ten overstaan van al die mensen om zo’n gezin heen.”

Waarom eigenlijk niet gewoon de zorg overlaten aan de professional?

„Hulpbehoevende mensen – en zeker kinderen – hebben het recht op relaties met eigen mensen. Ik wil ten minste niet leven in een samenleving waarin kinderen van dag tot dag volledig afhankelijk zijn van hulpverleners. Los daarvan, maar dat is secundair: het kost ook te veel geld.”

Neem nu een probleemgezin als dat in Zoetermeer, waar de kinderen en vermoedelijk ook de ouders verstandelijk beperkt zijn. U blijft optimistisch over hun eigen kracht?

„In elk geval over de kracht van het eigen netwerk. Daar gaat het om. Laatst hielden we een conferentie voor een licht verstandelijk beperkte jongen. Hij had schulden, was werkloos, had school verlaten. Drie tantes spraken af hem voortaan wakker te gaan bellen. En nog een keer te bellen als hij naar school moest. Dat hebben ze een maand of drie volgehouden. Bij hem zat het toen in zijn systeem. Hij ging weer naar school.”