De Politiecolumn: De buurt bestuurt, maar niet heus

Hoe groot is eigenlijk het zelforganiserend vermogen van burgers? Criminoloog Marc Schuilenburg volgde de praktijk in de Rotterdamse deelgemeente Hillesluis. In de Politiecolumn waarschuwt hij voor illusies, blijmoedige opvattingen en elitaire uitgangspunten.

Politiek Den Haag wil dat burgers zelf maatschappelijke problemen aanpakken. Koning Willem-Alexander vatte het in zijn Troonrede van 2013 samen als de overgang van de verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving. Opvallend is dat we in de discussie over de participatiesamenleving alleen spreken over ‘zachte’ onderwerpen, zoals leeszalen, tuintjes en zorg voor ouderen. Een ‘hard’ onderwerp als veiligheid blijft buiten beeld. Dat is gek omdat er tal van initiatieven zijn waarin burgers een actieve invloed hebben op veiligheid. Burgers geven bijvoorbeeld aan hoe en waaraan een deel van de politiecapaciteit moet worden besteed. ‘Buurt Bestuurt’ in Rotterdam is hiervan een voorbeeld.

Buurt Bestuurt wil de veiligheid en veiligheidsgevoelens onder wijkbewoners  verbeteren. Tegelijkertijd wil het project het vertrouwen van burgers in de politie en gemeente vergroten. Dit gebeurt door bewoners te betrekken bij oplossingen voor veiligheidsproblemen. Uitgangspunt daarbij is dat bewoners zelf wel weten wat er nodig is om hun buurt ‘schoon, heel en veilig’ te maken. Zij geven aan de lokale overheid hun top-3 aan problemen door. De politie en gemeente moeten deze problemen oppakken.

Ik heb twee jaar lang bijeenkomsten bijgewoond van Buurt Bestuurt in Rieder-Noord, een wijk in de Rotterdamse deelgemeente Hillesluis. De meeste bewoners hier hebben weinig vertrouwen in de overheid. De wijk wordt gekenmerkt door hoge werkloosheid, veel analfabetisme en criminaliteit. Hardrijden in de wijk is een van de grootste bronnen van irritatie. Om dit te ontmoedigen, stelden de bewoners voor een smiley aan te schaffen, een elektronisch verkeersbord. Afhankelijk van de snelheid waarmee iemand rijdt, lacht de smiley (als je goed rijdt) of kijkt het bedroefd (als je te hard rijdt). Goed idee zou je zeggen, maar zo niet de deelgemeente. Die voerde telkens andere redenen aan om het verzoek van de bewoners af te wijzen. Eerst mochten ze geen smiley plaatsen, zelfs niet in hun voortuin of aan de gevel. Vervolgens waren de kosten te hoog. Daarna zouden de twee smiley’s van Stadsbeheer al in gebruik zijn. En, ten slotte zouden de verzoeken om plaatsing van een smiley niet aan de juiste instantie zijn gericht. Hoe serieus neemt de overheid deze bewoners die in beweging komen?

De patstelling tussen gemeente en bewoners duurt ruim een jaar. Uiteindelijk kan de dienst Stadsbeheer niet anders dan toegeven dat de bewoners in bruikleen een smiley kunnen ontvangen. Had een smiley de gemoedstoestand van de bewoners in Rieder-Noord gedurende de bijeenkomsten van Buurt Bestuurt weergegeven, dan zou het voortdurend boos hebben gekeken. Boos vanwege de bestuurlijke onwil en de talloze bureaucratische blokkades waarmee zij voortdurend werden geconfronteerd.

Op een dieper niveau is de onmacht en frustratie van de wijkbewoners het gevolg van een al te blijmoedige opvatting bij de overheid over het zelforganiserend vermogen van de burger. De pleitbezorgers van de participatiesamenleving gaan uit van goed opgeleide burgers die in staat zijn problemen te analyseren en op te lossen. Oplossingen die ze op rationele wijze weten over te brengen aan de overheid. Er zijn echter serieuze vraagtekens te plaatsen bij de veronderstelde burgerkracht in de participatiesamenleving. Als bewoners een jaar lang bezig zijn om een smiley te krijgen, dan kun je twijfels hebben over de doorzettingsmacht van de burger. Is die altijd voldoende om door de bureaucratische bastions heen te breken? Ik ben bang van niet. De ideologie van de participatiesamenleving is nog veel te elitair.

Natuurlijk kun je de participatiesamenleving kritisch wegzetten als een bezuinigingsmaatregel – wat het overigens ten dele ook is – maar je kunt er ook positief over nadenken. Als een mogelijkheid voor burgers om meer zeggenschap te krijgen over hun eigen leven en veiligheid. Dat de staat hierbij niets anders hoeft te doen dan verantwoordelijkheid over te dragen aan de burger, is de grootste valkuil. Ambtelijke beleidsrapporten zetten geen zoden aan de dijk als niet wordt beseft dat er tussen én in de wijken grote verschillen tussen burgers zijn. Een bewoner vertelt mij: ‘We missen een stukje kennis en ervaring om zelf iets te kunnen regelen’. De overheid moet daarom serieus de vraag stellen: ‘Wie zijn die burgers waarop we een beroep doen en hoe betrekken wij hen volwaardig in het veiligheidsvraagstuk?’ Niet iedereen participeert in gelijke mate.

Marc Schuilenburg doceert aan de afdeling Strafrecht en Criminologie van de Vrije Universiteit te Amsterdam. De Politiecolumn wordt afwisselend geschreven door deskundigen uit het politieveld.