Bij aankoop ‘Rembrandts’ is het een en ander misgegaan

Maerten Soolmans en Oopjen Coppit worden niet gescheiden, maar verhuizen van de slaapkamer van Éric baron de Rothschild naar twee gerenommeerde musea in Europa. De twee huwelijksportretten die Rembrandt van Rijn in 1634 schilderde, komen afwisselend in het Rijksmuseum (Amsterdam) en het Louvre (Parijs) te hangen. Ze worden dus voor iedereen zichtbaar en dat blijft de grote winst: de twee schilderijen gaan van privébezit naar het publieke domein. Al is het inmiddels onzeker of de portretten in Nederland ook ‘op tournee’ gaan, zoals directeur Wim Pijbes van het Rijksmuseum eerder optimistisch in het vooruitzicht stelde.

Er is wel het een en ander misgegaan bij de aanschaf van dit vroege werk van Rembrandt. De openbare informatie die minister Jet Bussemaker (Cultuur, PvdA) erover prijsgaf, bleek in tien dagen tijd snel te kunnen veranderen. Op 21 september repte ze in een brief aan de Tweede Kamer over een aankoop die het kabinet samen met het Rijksmuseum mogelijk wilde maken; zo kwamen de schilderen in „het Nederlandse publieke domein”. Het Rijk zou er 80 miljoen voor uittrekken en het museum zou eenzelfde bedrag zien te verwerven. Over Frankrijk of Franse belangstelling voor de schilderijen geen woord in deze brief. Hier leek sprake van een fait accompli.

Gisteren, 30 september, volgde een tweede brief van Bussemaker aan het parlement. Daarin meldt ze dat het Rijksmuseum en het Louvre al enkele maanden samen aan het onderzoeken waren hoe dit „unieke culturele erfgoed voor Europa” te behouden is. Van meet af aan was gezamenlijke aankoop dus ook een optie. Over werving door het Rijksmuseum bij fondsen en particulieren wordt in deze brief niet meer gerept. Inmiddels heeft Pijbes laten weten daar niets meer in te zien en heeft een van die fondsen, de Vereniging Rembrandt, al van een bijdrage afgezien. Het ziet ernaar uit dat het kabinet nu nog steeds 80 miljoen euro kwijt is, maar dan slechts voor het halve bezit van de twee schilderijen.

Een rol heeft gespeeld dat Frankrijk alsnog zou kunnen weigeren de exportvergunning te handhaven. Als dat zo is, dan is de vraag hoe groot het risico dan echt was dat de schilderijen in het bezit zouden komen van een ‘oliesjeik’, een ‘Chinees’ of een andere particulier, wat als dreigement werd opgevoerd.

Het is onduidelijk in hoeverre de fractieleiders in de Tweede Kamer in hun geheime overleg op de hoogte waren van de diverse opties bij de aankoop. Veel doet dat er ook niet toe: het gaat hier om de publieke verantwoording die ze horen af te leggen. Er was deze week in de Kamer al een kort debat over de schilderijen, maar VVD, PvdA en CDA lieten verstek gaan. Dat valt ze aan te rekenen.