Bewaar de dagen waar je niets van snapt

Hoe lees je een gedicht? Ellen Deckwitz gaf iedere donderdag een cursus in nrc.next. Vandaag de laatste aflevering: zonder vorm geen inhoud.

Illustratie Jenna Arts Illustratie Jenna Arts

Maanden geleden begon ik met deze reeks, omdat ik telkens mensen tegenkwam die bang waren voor poëzie. Ze zagen een gedicht als een cryptogram dat je alleen kan oplossen als je Alles van de dichtkunst weet. Dat is natuurlijk onzin. Ik werd al geraakt door de dichtregel ‘alle vlinders van dit voorjaar slapen op Lesbos’ voor ik wist wat het betekende, of waarnaar het verwees. De regel maakte me hoopvol en verdrietig tegelijk. Juist door hoe het was geformuleerd, werkte het.

Bij een gedicht kun je vorm en inhoud niet los van elkaar zien. Wie dat doorheeft, snapt hoe poëzie werkt. De regels ‘Soms zit ik in het park en breek ik in gedachten/ eenden die ik in een broodzak aan je/ geef’ (Ruth Lasters) komen aan en zijn grappig, juist doordat je bij een gedicht een zin halverwege een regel al mag afbreken. De vorm bepaalt dus de inhoud. Net zoals de vorm van je huis bepaalt hoe je de woonkamer ervaart. Waar het licht valt. Er is bij poëzie geen inhoud zonder vorm. Een gedicht dat zich laat samenvatten, om het met Ezra Pound te zeggen, is geen gedicht.

Dat is een van de charmes van de poëzie. Daar komt bij, dat we in gedichten uitspraken tegenkomen die we bij de kapper niet zo snel zouden horen. Kouwenaar schrijft: ‘Toen wij nog jong waren en de wereld nog oud’. Die ogenschijnlijk onlogica zwengelt je gedachten aan. Poëzie ontglipt het dagelijks begrijpen, wil niet pleasen en toont daardoor een nieuwe manier van denken. Het leert je nieuwe soorten begrip. Ilja Leonard Pfeijffer zei eens dat hij voor elk gedicht opnieuw wilde leren lezen en daarmee raakt hij de kern, omdat wie een gedicht probeert te begrijpen, zich open moet stellen voor iets anders dan de eigen interne monoloog. Je leert je te openen, via taal, voor iets buiten jezelf. Je traint je vermogen tot besef, waardoor je naast een betere lezer ook een betere gesprekspartner wordt. We leven in een tijd waarin we maar in het wilde weg onze mening roepen, in plaats van dat we het gesprek aangaan. Poëzie kan je helpen om beter te leren luisteren.

Gedichten leren lezen kost moeite, maar het is nou ook weer geen ruimtevaartkunde. Iedereen die zich ook maar een beetje in de poëzie heeft verdiept, weet wat ik bedoel. Zijn of haar belevingswereld is groter. Neem het gedicht ‘Paasnacht’ van Werner Aspenström hiernaast. De eerste strofe is de wereld kennen zoals zij is: via voorspelbare rituelen, met maar al te herkenbare symbolen. Het is de wereld die we van bovenaf opgelegd hebben gekregen. In de tweede strofe begint de poëzie: er wordt iets beschreven wat we nog niet kennen, maar wat gevoelsmatig al wel klopt. Dat is de wereld die we, nog voor we er woorden voor hebben, ervaren. De wereld die binnenin zit. Met het laatste houden gedichten zich bezig. De Franse filosoof Ricoeur zei dat poëzie betekenisleegtes opvult. Het nog steeds verschijnen van gedichten betekent dat de wereld nog steeds niet honderd procent gekend is. Dat we er nog steeds niet over zijn uitgepraat. En dat is een geweldige gedachte.

Ga eens grasduinen in gedichten. Je vindt vanzelf een regel die je wél begrijpt, en die je houvast biedt om de tekst verder te ontdekken. Hang een poëziekalender op. Bewaar de dagen waar je niets van snapt en lees die een jaar later weer. Ik durf er mijn Foster Parent kind om te verwedden dat je er dan wél chocolade van kan maken.

Juist door te erkennen dat alles nog lang niet getoond en gezegd is, stellen we ons open voor de ongeziene kanten van de wereld. Het is nooit te laat om te beginnen en om er via poëzie achter te komen dat er nog zoveel te ontdekken valt. Met als leuke bonus dat je spreekvaardigheid toeneemt, je je gevoelens beter kan verwoorden en dat je nieuwe manieren om te schelden uitvindt.

Onze wereld is groter dan de taal die haar probeert te omvatten. Dat vind ik een geweldige gedachte. Ik zou er geen klap aan vinden om te leven in een wereld zonder mysterie. Het betekent dat we nooit zijn uitgepraat, nooit zijn uitgedacht en dus ook nooit uitgedicht. Ik wil een wereld waarin, zoals in het gedicht van Aspenström, het vermoeden van een ander bestaan als een vis door me heen glijdt. Als dat heidendom is, heb ik het er graag voor over.