Een botbreuk hier, gescheurde scrotum daar: dit is rugby

Rugby is de laatste jaren steeds fysieker geworden. Het WK duurt niet voor niets 6 weken. Spelers hebben dagen nodig om bij te komen.
De Ier Jamie Heaslip (rechts) wordt door twee Roemenen tegelijk getackled Foto Adrian Dennis/AFP

Veldslagen zijn het. Met strijd, met passie, met sensationele plotwendingen – een WK vol heroïsche verhalen. Het publiek vreet rugby, getuige de ruim één miljoen bezoekers die de tribunes bevolkten tijdens de eerste twintig duels. Keiharde sport, maar fair, zonder schwalbes, zonder spelers die elkaar straffen willen aannaaien.

Give blood, play rugby. Zo luidt een leus op de shirts van talloze rugbyfans. Maar het WK eist nu al een zware tol. Vaak zijn ze letterlijk hoorbaar, de frontale botsingen: doffe, zware dreunen, vlees tegen vlees, bot op bot. Niet alleen het dappere team van Wales, dat in een maand tijd al zes backs kwijtraakte, is zwaar getroffen. Ook andere landen zien de ene na de andere speler wegvallen. „De afgelopen vier, vijf jaar is het rugby veel fysieker en intensiever geworden”, zei de bondscoach van Wales, Warren Gatland, deze week. „Sommige jongens waren twee dagen na de wedstrijd tegen Engeland nog steeds bont en blauw.”

De impact is als een auto-ongeluk

Rugbyers klagen niet, maar zorgelijk is het wel. Niet voor niets duurt het WK rugby zes weken. Het herstel van het lichaam na zo’n slijtageslag vergt volgens kenners een kleine week. In Franse rugby-cao’s staat niet voor niets dat spelers elk jaar vijf weken onafgebroken vrij moeten zijn. Dat doet de sport met het lichaam. „Rugby is van een contactsport naar een collision sport gegaan”, zegt de Nederlandse oud-international Yves Kummer. „Twintig jaar geleden maakte je zijwaartse tackles naar de enkels. Nu tackel je van voren. De hits die ze maken zijn fenomenaal. Je wordt gewoon in een wasmachine gestopt.”

Spelers zijn fitter en sterker. Ze spelen zich helemaal leeg nu de ploegen per duel acht van de vijftien spelers mogen wisselen. Volgens onderzoeken komt de impact bij zo’n botsing soms overeen met die van een auto-ongeluk.

Het gevolg van het fysieke spel is in alle WK-selecties pijnlijk zichtbaar. Spierpijn, stijfheid, blauwe plekken, een nek die niet meer wil bewegen, pijnlijke schouders, verzuurde armen en benen. „Een dag na de wedstrijd kun je echt geen normale training doen”, zegt Kummer. „Je zit helemaal vast.”

Vaak merken de spelers het pas een paar uur na afloop. „Door de adrenaline in het lichaam voelen de spelers de blauwe plekken en verwondingen nauwelijks tijdens de wedstrijd – maar de volgende ochtend des te meer”, zei de Britse sportpsycholoog Richard Cox onlangs.

Minder gelukkigen liggen direct uit het toernooi met een hersenschudding, een schouder uit de kom, een gescheurde kruisband, gekneusde ribben, kapotte hamstrings, een polsblessure, of een gebroken vinger. Blessures en andere ongemakken horen bij rugby als de haka bij de All Blacks.

Gescheurde scrotum en weer doorgaan

Neem Jean de Villiers. De trotse captain van Zuid-Afrika nam afgelopen weekeinde na dertien jaar en 109 interlands in stilte afscheid van de Springboks nadat hij tegen Samoa zijn kaak had gebroken. Hij was net hersteld van de kaakbreuk die hij een maand eerder had opgelopen. Daarvoor lag hij er maanden uit met een knieblessure. En dat zijn pas de laatste pagina’s uit zijn medische dossier. De Villiers miste het WK van 2003 omdat hij vijf minuten na zijn debuut een ernstige knieblessure opliep. Zijn WK van 2007 – dat Zuid-Afrika won – eindigde in het openingsduel (arm), net als bij het WK van 2011 (rib).

Niet dat rugbyers kleinzielig zijn. In tegendeel. De Nieuw-Zeelander Wayne Shelford verloor in 1986 tegen Frankrijk vier tanden en voelde zijn scrotum openscheuren toen hij in aanraking kwam met een paar noppen van een Franse schoen. Hij ging naar de kant, liet het zaakje hechten en keerde terug in het veld. Even later moest hij opgeven nadat hij bewusteloos was geraakt.

Een optimale fysieke conditie en een goed herstel kan blessures voorkomen, weten de rugbyers. Maar op dat gebied is er op het WK in Engeland en Wales al kritiek te horen. Sommige landen krijgen te weinig rust tussen hun wedstrijden in. Japan, bijvoorbeeld, stuntte de eerste week tegen tweevoudig wereldkampioen Zuid-Afrika. Maar toen ze vier dagen later opnieuw aan de aftrap stonden bleek pas hoeveel kracht het had gekost. Tegen een matige, maar volledig fitte Schotse ploeg die net aan het WK begon, waren de vermoeide Japanners kansloos.

Rugby is gewoon een behoorlijk bruut spel

En Japan, een dreumes in de rugbywereld, heeft toch al een achterstand op de grote landen. Landen als Nieuw-Zeeland, Engeland of Frankrijk hebben zoveel goede spelers dat ze in de groepsfase moeiteloos tien anderen kunnen opstellen. Kummer: „Japan heeft die diepte niet. Hun spelers houden het gewoon niet vol.”

Ook Wales, dat al zwaar gehavend aan het WK begon, heeft het niet getroffen. Na die historische triomf over Engeland, waar de brancards af en aan reden, kregen de Welshmen slechts vier dagen rust voor hun duel tegen Fiji, vanavond. Maar geen excuses vanuit het uitgedunde kamp. Toch zegt bondscoach Gatland: „Die korte herstelperiode is wel iets waar we ons bewust van moeten zijn, want rugby is tegenwoordig een behoorlijk bruut spel.”

Wales houdt het ook zonder zeven van zijn basisspelers nog wel even vol, op pure wilskracht, maar de pijp is een keer leeg. Hoe langer het toernooi duurt, des te groter wordt het overwicht van de grote landen. Nieuw-Zeeland is het mooiste voorbeeld. De All Blacks verloren bij het vorige WK (2011) hun drie beste fly-halfs, onder wie Dan Carter. Nummer vier, Stephen Donald, moest worden teruggehaald van zijn visvakantie. Uitgerekend hij maakte in de WK-finale tegen Frankrijk de winnende penalty.