Advies: geef ambtenaren het recht op kritiek en spreekrecht in de Kamer

Foto Koen Suyk/ANP

Ambtenaren moeten bewindspersonen tegen kunnen spreken of bekritiseren zonder dat ze daarmee in problemen komen. Ministers en staatssecretarissen dienen intern na te gaan of het recht van ambtenaren om kritiek te uiten nu wel voldoende gewaarborgd is. Dat adviseert de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) in het rapport ‘Sturen en verbinden, naar een toekomstbestendige Rijksoverheid’. Minister Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) had vorig jaar om dat advies gevraagd.

Dat ambtelijk recht op tegenspraak moet volgens de Raad worden vastgelegd in een protocol tussen een nog te benoemen secretaris-generaal voor de rijksdienst en het kabinet. De Raad adviseert verder om ambtenaren spreektijd te geven in het parlement. Nu gebeurt dat uitsluitend achteraf, als het parlement besluit tot het houden van een parlementaire enquêtecommissie. Dat spreekrecht moet ook mogelijk worden bij de voorbereiding van nieuw beleid.

Volgens de Raad wordt de informatiepositie van Kamerleden daardoor versterkt. De Raad schreef het advies omdat het functioneren van de rijksoverheid aan ‘groot onderhoud’ toe is. “De huidige bestuursstijl zwalkt tussen verlicht regentendom en onverhuld populisme”, aldus de Raad.

“En in de media spiegelt zich de gespleten ziel, van de burger. De gezagvolle positie van de overheid brokkelt steeds verder af.”

Ad Vies Stu Renen Verbinde n

Om het functioneren van de ministerraad te verbeteren, moeten de bevoegdheden van de minister-president worden uitgebreid. Dat kan eenvoudig door het Reglement van Orde van de ministerraad aan te scherpen. Nu is de minister-president in die raad de ‘primus inter pares’. Volgens de Raad moet zijn bevoegdheid om de agenda van de ministerraad te bepalen, worden uitgebreid. Volgens het huidige Reglement van Orde van de ministerraad kan de minister-president een kwestie agenderen tegen de wens van de betrokken minister in, maar mag dat alleen als dat ‘in overeenstemming met het gevoelen van de Raad’. In de toekomst moet het mogelijk worden dat de minister-president die agenderingsbevoegdheid ook mag gebruiken om, bijvoorbeeld, collegiale besluitvorming af te dwingen.

Versterking van de positie van de minister-president betekent ook dat het ministerie van Algemene Zaken moet worden versterkt. Want de staf van de minister-president zou nu te klein zijn om inhoudelijk een rol te kunnen in de voorbereiding van vergaderingen van de ministerraad.