Voor vluchtelingen zijn arme gemeenten beter

Vluchtelingen spreiden? Robbert van Lanschot woont op stand en vraagt zich af wat een vluchteling moet met truffels en een patisserie.

Onlangs bleek uit NOS-onderzoek dat arme gemeenten veel meer vluchtelingen moeten opvangen dan rijke. Voor PvdA-Kamerlid Attje Kuiken, inmiddels gesteund door Samsom, aanleiding om betere spreiding te bepleiten, met als argument dat die stap het draagvlak voor het asielbeleid versterkt. Wat zij willen is richting kiezers wellicht correct. Maar hebben ook de vluchtelingen er baat bij? Nee.

Ik woon in het welvarende Haagse Benoordenhout. Vlak bij ons is een leuk eethuisje. Op het menu prijkt de ‘Benoordenhoutse burger’, een creatie die ook een schijfje eendenlever omvat. Prijs: 16,95 euro. In een kadertje staat de ‘tip’ om de burger door de kok te laten larderen met frietjes en truffelmayonnaise. Dan komt er 4,95 bij. Verderop is hofleverancier Patisserie Jarreau. Voor een petit four betaal je er 2,50. In de Schilderswijk betaal je voor een vergelijkbaar stukje, in gouden honing badende baklava maar 55 cent. Hier een muntthee: 3,50. In het Marokkaanse theehuis Afra aan de Hoefkade: 1 euro. U voelt waar ik naar toe wil: voor vluchtelingen die per week een paar tientjes leefgeld ontvangen is in een rijke buurt geen plezier te beleven.

Ander punt. Een grote meerderheid van de migranten is moslim. Op de kaart van Nederland is het zo dat ‘rijk’ en ‘islamitisch’ niet of nauwelijks overlappen. In rijke buurten en gemeenten is een moskee een zeldzaamheid. Vanaf mijn huis is de dichtbijzijnde soennitische moskee veertig minuten lopen. Vanuit Wassenaar zou dat al zo’n anderhalf uur zijn (met als keuze Den Haag of Leiden). Dat wordt voor de pechvogel op Nederlands rijkste plek dus twee keer openbaar vervoer voor ieder moskeebezoek. En misschien wil hij of zij wel heel vaak op moskeebezoek. De moskee is niet alleen gebedshuis. Het is ook sociale ankerplaats, een plek om getroost te worden – iets waar zeker vluchtelingen behoefte aan kunnen hebben. Met wat geluk kun je er bovendien rekenen op materiële steun. Binnen de islam is de ‘zakat’ (aalmoezen) immers een van de vijf pijlers van het geloof.

Het islamitische leven wordt in hoge mate bepaald door de shariaregels rond halal en haram. In mijn directe omgeving is vrijwel niets halal. Jaouad, de eigenaar van dat theehuis, woont met zijn gezin in Kijkduin – een andere (deels) welgestelde buurt. Maar hij koopt zijn brood, ook op dagen dat hij niet in de zaak staat, in de Schilderswijk. „Veertien kilometer in de auto door de stad, en dat voor een brood van de Marokkaanse bakker”, vertelde hij me ooit. Is er in Kijkduin dan geen brood? Natuurlijk wel. Maar het is Hollands brood. En dat is niet voor moslims. Hollands brood kan varkensreuzel bevatten alsook iets wat in de bakkersbranche ‘broodversterker’ heet (hoofdingrediënt vermalen varkenshaar). In geval van twijfel geldt voor een goede moslim: ‘niet doen’. Zelfde geldt voor Hollandse kaas (stremsel) en voor de Hollandse slager (slagersmessen waarmee ook varkenslapjes worden uitgebeend). Voor moslims en dus ook voor asielzoekende moslims zijn in een rijke omgeving niet alleen alle bakkers, slagers en zuivelwinkels taboe maar bijvoorbeeld ook alle horeca (alcohol; haram keuken) en kappers (borstels met haar van wild zwijn; ‘haram’ gels en shampoos) en krantenkiosken (de porno achter in de zaak). Je zwerft door je via het COA toegewezen wijk, maar je kunt er als moslim geen deelgenoot worden.

Ten slotte – of we het nu leuk vinden of niet – de commerciële infrastructuur van met name arme, allochtone wijken sluit perfect aan bij allerlei essentiële behoeften van vluchtelingen. Denk aan de belwinkels, de filialen van Western Union en Moneygram, de mysterieuze reisbureautjes en de al even mysterieuze koeriersdiensten die aan groupage doen van pakketten richting Congo en Nigeria en Afghanistan. Denk ook aan de Somalische ‘hawala’-geldwisselaars die kunnen regelen dat geld dat je aan hen geeft na twee, drie telefoontjes door hun counterparts in de Hoorn van Afrika wordt uitbetaald aan je achtergebleven familie in Addis Abeba of Mogadishu. Je zou, als je er even bij stilstaat, nog veel meer kunnen noemen. Neem mijn buurtkapper. Daar kun je als vrouw uitstekend terecht voor een coupe à la Beatrix. Maar is dat ook iets waar een Afrikaanse vluchtelinge naar op zoek is? Loopt er in die zaak een kapster rond die weet hoe je bij ‘cornrows’ of bij ‘mohawk’ of bij ‘monde arabe’ het Afrikaanse haar moet vlechten? Nee dus. Daarvoor moet je echt elders zijn.

De vluchtelingen die door het COA in een rijkenenclave worden gedropt, hebben het haast per definitie extra zwaar. Op het randje van cru. De directe omgeving is voor hen ‘haram’, te prijzig en onpraktisch. Zo’n enclave biedt stilte en lommerrijke lanen. Maar dat is het zo’n beetje. Als het plan van Kuiken doorgaat, moeten bewoners van AZC’s op dat soort locaties in ieder geval aanvullend leefgeld ontvangen. Maar dat zal het diepere probleem niet wegnemen: een rijke buurt is een haast onneembare vesting – het is voor asielzoekers het slechtst denkbare startpunt om de eerste, voorzichtige stappen in de Nederlandse samenleving te zetten.

    • Robbert van Lanschot