Hoe bewust is autoriteit?

Wij waren de leerlingen en kregen vegetarisch te eten. Ik deed mee aan een workshop, zestien twintigers, muzikanten en schrijvers, verzameld onder leiding van één docent. We zaten de hele dag in een kring rond een flip-overbord, op stoelen waarvan de zitting een kussen was, gemaakt voor lange sessies. Een Britse toneelschrijver met energieke armen en de coupe van Andy Warhol doceerde. Hij vroeg steeds waar wij zin in hadden en schoffelde graag zijn eigen expertise onderuit („Ik wil van jullie leren!”), maar er werd gretig naar hem geluisterd.

De lunch en het diner werden geserveerd door een kokkin die een geweldig buffet neerzette. Elke maaltijd was volledig vegetarisch. Na drie dagen stond er ineens vlees op tafel. Er schoven vrouwen en mannen in nette jasjes aan. Het waren commissieleden, kunstliefhebbers met een bestuursfunctie – bemiddelaars tussen voorzichtige geldschieters en de experimentele kunstenaar. Wel een overhemd, geen stropdas (v/m): tussenpersonen dus. Dat klinkt oneerbiedig, maar zijn er eigenlijk mensen die nergens tussen laveren? Betekent autonomie niet vooral: je staande houden tussen verschillende verwachtingen en niet te overduidelijk één kant op vallen?

Onze supermarkten zijn inmiddels bloedroze gekleurd en Ottolenghi bakt gezond goud van groenten, maar vlees was altijd voorbehouden aan de rijken en werd als luxe beschouwd. De plotse verandering van het menu benadrukte dan ook het onderscheid tussen workshopleerlingen en commissieleden.

Natuurlijk wist die laatste groep van niets: zij schoven voor het eerst aan en hadden het vegetarische menu niet meegemaakt. Wij, de leerlingen, fluisterden echter onderling: we begrepen onze plaats, kenden onze rang en bevestigden daarmee juist weer de hiërarchie die de commissieleden niet anders dan normaal toescheen. Hoe bewust is autoriteit?

Zij zeiden „het draait om jullie” en wij knikten dankbaar. Toen ik op de middelbare school zat, werkte ik in een Mexicaans restaurant. De eerste eters die binnenkwamen werden steevast naar het tafeltje aan het raam verwezen. Kaarsje erbij, mandje nacho’s. We waren blij wanneer ze een gerecht met gesmolten kaas bestelden (chile con queso), want dat lokte langslopende hongerigen zeker naar binnen. Op hele rustige dagen kregen de gasten aan dit raamtafeltje nog weleens een gratis cocktail aangeboden, omdat cocktails nog aanzuigender werken dan kaas. We probeerden ze sowieso te porren om te blijven voor een toetje (churros), boden koffie aan en maakten grapjes, zodat zij stralend in onze etalage zaten.

Ik voelde me altijd wat geniepig: deze gasten dienden als betalende reclame. Mijn baas was het daar niet mee eens, hij zei steevast: „Wat zou ik zelf graag eens aan dat tafeltje zitten.” Volgens hem betrof het een eerlijke ruil: zij leverden ons klanten op, wij boden hen extra aandacht. „Marktwerking in een notendop.” Soms ben ik onbeschaamd jaloers op mensen die geen moeite hebben met de artificiële kant van onderscheid.