Open huis op Texel

Gijs van Dijk (34), FNV-bestuurder

In het dagelijks bestuur van de FNV gaat Gijs van Dijk over de pensioenen. „Laatst heb ik op de NOS-website opgezocht wanneer ik officieel met pensioen ga. Dat is op mijn 71e. Dat betekent dat ik nog meer werkjaren vóór me heb dan ik tot nu toe heb geleefd. Dat geeft me rust. Ik heb nog 35 jaar om heel veel te doen.”

„Ik ben voor het eerst gaan nadenken over mijn pensioen toen ik bij de Algemene Onderwijsbond ging werken, in 2007. De AOb had eerst een eigen fonds en ging later over naar Zorg & Welzijn. Toen kregen we voorlichting over de voor- en nadelen en risico’s van grote en kleine fondsen. En over de levensvatbaarheid van een klein pensioenfonds. In die tijd dacht ik: het is voor mij nog zó ver weg.”

Van Dijk woont op Texel met zijn vrouw en zoontje. „Ik kan me niet voorstellen dat ik op een dag helemaal stop met werken, ik denk dat ik van alles zal blijven willen doen. Misschien vrijwillig, misschien betaald. Ik ga ervan uit dat ik hier nog steeds woon als ik met pensioen ben. Dan stel ik me voor dat we vaak open huis houden en interessante ontmoetingen organiseren voor mensen die elkaar nog niet kennen. Ik zou het ook ideaal vinden om met meer stellen in één huis te wonen.”

Hoeveel pensioen krijgt Van Dijk op zijn 71e? „Geen flauw idee. Ik bouw al een tijdje pensioen op: ik werk fulltime vanaf mijn 24ste en parttime al vanaf mijn 19e. Ik ga er van uit dat ik zo’n 70 procent ga krijgen van het loon dat ik gemiddeld heb verdiend en dat dit redelijk welvaartsvast is. Wat ik nodig denk te hebben? Ik zou het mooi vinden als ik financieel altijd klaar kan staan voor mijn zoon. Dat ik iets voor hem kan doen als het nodig is. En ook voor andere familieleden.”

Als Van Dijk zich zorgen maakt over de oudedag, dan is het over die van zijn zoon, nu acht jaar. „De financiële wereld is zo in beweging. Het is helemaal niet zeker dat we maar voortdurend door kunnen gaan met geld beleggen en dat we daar zo meer geld van kunnen maken. En als mijn zoon met pensioen is, zijn we zeventig jaar verder.”

    • Petra de Koning