Nederlanders houden nu ook van kolossen met puntdaken

Bernard Hulsman bespreekt architectuurontwerpen die op

elkaar lijken. Vandaag: woonkolossen met puntdaken.

De Compagnie in Rotterdam van Hans Kollhoff, 2005 Foto Kollhoff Architekten

Nederlandse architecten houden niet van hellende daken, merkte de Belgische architect Jo Crépain (1950-2008) tien jaar geleden op in een interview. Hoe dat kwam, wist hij niet. De architect Carel Weeber wel. Die had acht jaar eerder al eens uitgelegd dat vooral op de Technische Universiteit in Delft bouwkundestudenten nog altijd werden doodgegooid met het vroege modernisme van architecten als Le Corbusier en Rietveld. En een van de dogma’s van dat modernisme was het platte dak. Zeventig jaar later leerden bouwkundestudenten nog altijd dat een puntdak in alle opzichten achterlijk was.

Sindsdien is er veel veranderd. Na de doorbraak van het neotraditionalisme in de tweede helft van de jaren negentig hebben Nederlandse architecten zich langzaam maar zeker heengezet over hun weerzin tegen puntdaken. De laatste jaren zijn ze zelfs uitgegroeid tot echte liefhebbers ervan. Sommige architecten zetten tegenwoordig overal een zadeldak op. Zelfs grote appartementenblokken en torenflats krijgen er een.

Zo verscheen onlangs in de Amsterdamse Kinkerbuurt pal naast het nieuwe uitgaanscentrum De Hallen een groot complex met 330 appartementen met de naam Kwintijn. „Een knipoog naar de geschiedenis”, noemen FARO architecten, de ontwerpers van Kwintijn, het complex dat bestaat uit hoge blokken met puntdaken. De bakstenen gevels en de puntdaken „reageren” niet alleen op de industriële architectuur van de naburige tramremise, die vorig jaar is verbouwd tot uitgaanscentrum De Hallen, maar ook op de bakstenen „pandje-pandje-architectuur” van de Kinkerbuurt, leggen FARO architecten uit op hun site.

Kwintijn komt precies tien jaar na de Compagnie in Rotterdam, het eerste grote appartementencomplex met puntdaken in Nederland. Dit is ontworpen door Hans Kollhoff, de Duitse architect die tien jaar eerder al met het donkerbruine woongebouw Piraeus in Amsterdam de mode van de donkere baksteen in Nederland introduceerde.

Zoals zo vaak met nieuwe dingen, stuitte de eerste woongigant met puntdaken op weerstand. Zo noemde de Rotterdamse architectuurcriticus Herman Moscoviter De Compagnie „een 1-aprilgrap”. Verlangend naar de dogmatische platte daken van de jaren twintig, schreef hij boos in Het Rotterdams Dagblad: „Soms krijg ik het gevoel dat een buitenlandse architect zich ontwerpen kan veroorloven, waar een Nederlandse voor wordt teruggefloten. [...] Een stad die bouwt aan de wijk van de toekomst, valt niet terug op een paar selectieve beelden uit zijn verleden. Ga niet grootstedelijk ‘nostalgiseren.’”

Er is niet geluisterd naar Moscoviter. Een paar jaar later bouwde Kollhoff zelf, ook in Rotterdam, de Statendam, een 73 meter hoge woontoren met puntdaken. En tegenwoordig worden ook Nederlandse architecten niet meer teruggefloten als ze een puntdakkolos ontwerpen.

    • Bernard Hulsman