Malaise op de markt eist haar tol

Glencore stort in, Shell stopt in Alaska en de Saoediërs halen geld terug. De grondstofziekte maakt zijn eerste slachtoffers.

Het koper- en goudmijncomplex Grasberg van mijnbedrijf Freeport bij Timika in Papoea in Indonesië. Foto Muhammad Adimaja / Reuters

Mag het al een grondstoffencrisis worden genoemd? De gestage daling van mais en olie, van koper of ijzererts, begint steeds meer slachtoffers te eisen. De lage prijzen van dit moment zijn wel even vol te houden, maar hoe langer de dip duurt, hoe groter de schade is voor bedrijven en hele landen die afhankelijk zijn van de grondstoffenexport.

Het Zwitserse handels- en productiebedrijf Glencore, tiende op de Fortune 500-lijst, verloor maandag 30 procent van zijn beurswaarde. Aanleiding voor de koersval van maandagwas een rapport van belegger Investec. Daarin wordt voorzien dat als de lage prijzen van de grondstoffen waarin Glencore handelt aanhouden, de aandelen van het door schulden beladen concern eigenlijk niets waard zijn. Die schulden zijn grotendeels een erfenis van de overname van concurrent Xstrata. Die begon in begin 2012, toen de grondstoffenmarkt er nog redelijk goed bij lag. Zelfs na een gedeeltelijk koersherstel gisteren en vanmorgen is Glencore nog steeds slechts een kwart waard van wat er een jaar geleden nog voor werd betaald.

Olievloed

Sindsdien is de grondstoffenmarkt wereldwijd in malaise. Saoedi-Arabië verraste vorig jaar de oliemarkt door zijn traditionele rol als swing producer op te geven en te gaan voor marktaandeel. Niet langer voelden de Saoediërs zich, door te variëren met hun productie, verantwoordelijk voor een stabiele olieprijs. In plaats daarvan proberen zij om vooral de nieuwe Amerikaanse schalieproducenten uit de markt te drukken, door de olieprijs lager en lager te duwen. Maar het land, afhankelijk van olie-inkomsten, heeft daar zelf ook last van. Maandag kwam het nieuws dat het Saoedische staatsinvesteringsfonds buitenlandse beleggingen terugtrekt om het oplopende financieringstekort in eigen land te dempen.

Olieconcern Shell voelde zich, ook al deze week, gedwongen om te stoppen met het zoeken naar moeilijk winbare olie in het poolgebied. Het vooruitzicht van een duurzaam lage olieprijs is de belangrijkste reden. En intussen stevent Brazilië af op een forse recessie, door de afnemende grondstoffeninkomsten waarvan olie een belangrijke component is.

Twee ontwikkelingen in de grondstoffenmarkt liggen op dit moment in elkaars verlengde. De eerste is de groeivertraging in China, de grootste en, belangrijker, nieuwe afnemer van grondstoffen. Daarbovenop zijn, door de hoge prijzen van twee, drie jaar geleden, investeringen begonnen in een hogere productiecapaciteit – ook in China zelf. Die extra capaciteit kwam nét op de markt, terwijl de prijzen al daalden.

Alles bij elkaar voorspellen de ontwikkelingen niet veel goeds. Volgende week publiceert het Internationale Monetaire Fonds (IMF) zijn halfjaarlijkse voorspellingen voor de wereldeconomie in de World Economic Outlook. In een hoofdstuk van dit document dat deze week al is vrijgegeven, stelt het fonds dat landen die het moeten hebben van grondstoffenproductie bij de huidige prijzen 1 procent aan economische groei per jaar inleveren. Exporteurs van energie (vooral olie en gas) lijden heviger: zij bloeden 2,25 procent aan groei per jaar.

Dat heeft wereldwijd verstrekkende gevolgen: voor veel Arabische landen en mogelijk dus ook voor de geopolitieke ontwikkelingen in het Midden-Oosten. Voor het Rusland van president Vladimir Poetin, waar de lage olieprijs voor een inkomstendaling van de staat met 14 miljard zorgt – eenzevende van alle staatsinkomsten. Voor Brazilië. waar de economie al in recessie is en de real op het laagste punt sinds dertien jaar tegenover de dollar staat. Maar ook voor landen als Australië en Zuid-Afrika.

De supercyclus

Hoe lang de grondstoffenmalaise aanhoudt is per definitie onbekend: het prijsverloop is nogal wispelturig. Nog in 2008, aan de vooravond van de Lehman-crisis, bereikte olie een top van 140 dollar per vat, kelderde in een half jaar tijd naar 40 dollar, herstelde langzaam naar 115 dollar tot aan de zomer van 2014 en viel toen opnieuw in de afgrond waar het nu zit.

De index van alle grondstoffen samen, van het Commodities Research Bureau, piekte nog in 2011 en begon daarna aan een lange glijvlucht. In de grafiek hieronder staat het prijsverloop van metalen en energie vanaf 1960, gecorrigeerd voor inflatie. Daaruit valt af te lezen dat zelfs nu grondstoffen nog aan de dure kant zijn.

Grondstoffenprijzen zijn notoir wispelturig. Maar aan de termijnprijzen op de financiële markten denkt het IMF af te lezen dat het lage prijsniveau nog wel een jaar of vijf kan aanhouden. Dat voedt de speculatie over het einde van de ‘supercyclus’ van grondstoffen. De opkomst van China zorgde voor enorm veel nieuwe vraag naar ruwe materialen waarmee in recordtijd hele steden en infrastructuur uit de grond werden gestapt.

De sterk toegenomen financiële handel in grondstoffen, waarbij beleggers via speciale fondsen opeens in koper, olie of nikkel konden stappen, verhoogde in de tussentijd de vraag naar deze grondstoffen als dekking voor de fondsen en joeg de prijzen ook nog extra op. Nu zou de neergaande fase van de supercyclus hebben ingezet. En dat gaat vooral ten koste van de grondstoffenlanden die de rest van hun economie hebben verwaarloosd. Zij hadden een voorbeeld van hoe het niet moest: het Nederland van de jaren 70, waar de luxe van de gasinkomsten uiteindelijk meer een vloek dan een zegen bleek. Nu de grondstoffenprijzen zijn gekelderd, dreigt deze Dutch disease een wereldwijd fenomeen te worden.

    • Maarten Schinkel