De Togacolumn: Met deze recherche valt geen fraude op te sporen

Onlangs deelde de minister van Veiligheid en Justitie mee dat het kennis- en kwaliteitsniveau van de recherche omhoog moet, opdat er meer misdrijven worden opgelost. Onder andere werd daarbij gewezen op fraudebestrijding.

Faillissementsfraude is helaas een veel voorkomend verschijnsel, ik merk het in mijn praktijk als rechter-commissaris dagelijks. Precieze cijfers zijn er niet, maar geschat wordt dat in 30% van de faillissementen sprake is van enige vorm van fraude, variërend van het vlak vóór faillissement wegmaken van wat goederen, tot plof-bv’s die leveranciers en fiscus voor miljoenen euro’s duperen. De schade in Nederland wordt geschat op twee tot vijf miljard euro per jaar. In 2014 waren er ongeveer 10.000 faillissementen van bedrijven en instellingen.

Eens in de zoveel jaren wordt een speerpunt gemaakt van fraudebestrijding. De daarop volgende plannen hebben een overeenkomst: zij sterven in schoonheid. Dat ligt niet aan de wetgeving. De bestaande wetten bieden volop de mogelijkheden om faillissementsfraude aan te pakken. Het probleem zit hem in de opsporing en vervolging. Bij de politie is onvoldoende adequate mankracht om deze zaken op te sporen en te onderzoeken. Dat is geen verwijt, het is een constatering. Vrijwel iedereen die weleens heeft gepoogd aangifte te doen van fraude herkent vast de reactie “die aangifte nemen wij niet op, dit is een civiele kwestie”. Dat schiet dus niet op.

Curatoren in faillissementen zijn de eersten die op (aanwijzingen van) fraude stoten. Een deel van de curatoren doet dan, al dan niet na uitgebreid onderzoek, aangifte bij de politie. Een ander deel doet dat niet, stellende geen onderdeel te zijn van politie of justitie. Het probleem is vaak dat de boedel in een fraude-faillissement leeg is. In dat geval ontvangt de curator  geen salaris en zijn kosten worden niet vergoed. Dat verhoogt het enthousiasme om tijdvretende aangifte te doen niet. Een van de maatregelen die recentelijk zijn genomen, is een vergoedingsregeling voor curatoren voor het doen van aangifte (maximaal vijf uren tegen maximaal € 180,--). Dat biedt enig soelaas bij een lege boedel. Probleem is – hoe verzin je het? – dat die vergoeding alleen wordt betaald indien de aangifte tot een vervolging leidt. En dat is bijna nooit het geval….

Als de aangiftehobbel is genomen, blijkt dat de “gewone” recherche er niks mee kan. Fraude-opsporing is een gespecialiseerd vak en de gemiddelde politieman heeft niet voor zijn beroep gekozen om boekhoudingen en dergelijke door te spitten. Er is domweg te weinig capaciteit, zowel kwalitatief als kwantitatief, om de tijdrovende onderzoeken te doen, hoe groot de maatschappelijke schade door faillissementsfraude ook is. Het gevolg is dat er veel zaken niet of gebrekkig worden onderzocht. Het gevolg daarvan is dat er ook maar weinig wordt vervolgd. Dat na het passeren van al deze flessenhalzen blijkt dat er nauwelijks faillissementsfraudeurs worden veroordeeld, zal geen verbazing wekken.

Er zijn op dit moment enkele wetsontwerpen aanhangig om faillissementsfraude aan te pakken. Het effect van die maatregelen is mijns inziens veel kleiner dan het vergroten van de pakkans, succesvoller opsporen en vervolgen. Een van de voorstellen is bijvoorbeeld een beroepsverbod voor faillissementsfraudeurs. Ik twijfel of dat zin heeft. Er is bijvoorbeeld ook een verbod om als cocaïneverkoper werkzaam te zijn en niettemin zijn velen zeer succesvol in dat beroep actief. En niets belet de door een beroepsverbod getroffene een stroman in te schakelen. Ook nu al zijn bestuurders van fraude-bv’s vaak strolieden, die voor een kratje bier per bv op papier wel vennootschapsbestuurder willen zijn.

Wil je echt iets aan faillissementsfraude doen, dan zul je allereerst stevig moeten investeren in fraudespecialisten bij de  politie. Bij een maatschappelijke schade van miljarden per jaar, kan dat uit. Ik hoop dat de woorden van de minister over het deskundiger maken van de politie deze keer bewaarheid worden en dat het niet blijft steken bij slogans, waarna we over vijf jaar aan het volgende zelfde speerpunt toe zijn. Het wordt hoog tijd.

De Togacolumn wordt afwisselend geschreven door een rechter, een officier en een advocaat. Deze week Matthieu Verhoeven, insolventie- en kort gedingrechter in de rechtbank Overijssel te Almelo. 

 

    • matthieuverhoeven