Wapengekletter en kanonnen: zelfs Beethoven had zijn mindere stukken

Iedere dinsdag laat Merlijn Kerkhof (28) zien wat de schoonheid is van klassieke muziek. Deze week: de schaamsymfonieën van Beethoven en Brahms.

Ludwig van Beethoven: dat is de componist van negen verheven symfonieën, schepper van een muzikaal universum waarbij de zon, de zee, de sterren en een maansverduistering verbleken. De eerbiedwaardigste loftuitingen zijn niet toereikend om recht te doen aan zijn late strijkkwartetten of zijn Kreutzersonate. Het kan niet anders dan dat hij alleen maar goede muziek heeft gemaakt.

Toch?

Het zit toch een beetje anders. Veel liefhebbers van klassieke muziek zien hun favoriete componisten als halfgoden, als grote genieën die compromisloos schaafden aan hun kunst. Zeker Beethoven (1770-1827) staat op zo’n voetstuk: we vergeten graag dat hij als botte opportunist altijd op zoek was naar financieel gewin en dat hij ook muziek schreef om geld te verdienen.

Het beeld van Beethoven de halfgod wordt in stand gehouden door het repertoire: we horen vandaag de dag in concertzalen zijn onbetwiste meesterwerken (waarvan overigens de meeste tijdens zijn leven al goed werden gewaardeerd), we leggen de nadruk op zijn symfonieën. Terwijl ook Beethoven zijn niemendalletjes had. Regelrechte schaamstukken zelfs.

Het dieptepunt uit zijn oeuvre is, als je ’t mij vraagt, Wellingtons Sieg (1813). In het stuk wordt de Slag bij Vitoria verklankt. In het Spaanse stadje Vitoria werd onder aanvoering van de hertog van Wellington het Franse leger van Joseph Bonaparte (broer van) verslagen.

In de compositie hoor je kanonnen, wapengekletter en twee tegenovergestelde partijen met eigen liederen (‘Rule Britannia’ en ‘God Save the King’ voor de Engelsen versus ‘Marlbrough s’en va-t-en guerre’ voor de Fransen). Behoorlijk triviaal – nu wordt het alleen incidenteel uitgevoerd als curiositeit. Maar tijdens het Congres van Wenen, waar werd bedisseld hoe Europa er na Napoleon uit moest zien, was het de grote hit. Lang was het Beethovens populairste stuk.

Ook van Johannes Brahms (1833-1897) zou je niet denken dat ooit het massieve Triumphlied zijn meest geliefde werk was. Vraag een willekeurige abonnementhouder in het Concertgebouw naar het Triumphlied en de kans is groot dat hij/zij er nooit van heeft gehoord. Het wordt zelden uitgevoerd en meestal ontbreekt het in verzamelboxen van Brahms’ muziek. De gelegenheid voor de compositie was de Duitse overwinning in de Frans-Pruisische Oorlog. Hoewel de tekst uit de Bijbel afkomstig is, spat de Duitslandverheerlijking van de noten af. En de Fransenhaat ook. Zo zette Brahms de regel ‘daß er die große Hure verurteilet hat’ op muziek – niet in tekst, maar het ritme van de zin werd zo duidelijk in noten gevat dat geen Duitser met een beetje kennis van Bijbel en context het kon ontgaan. De bedwongen hoer stond natuurlijk voor Frankrijk.

Beide stukken helpen ons eraan herinneren dat de canon van nu niet de smaak van toen weerspiegelt. En dat de klassieke muziek ook een achterkant heeft.

    • Merlijn Kerkhof