Opinie

    • Frits Abrahams

Simones demonen

Zangeres Nina Simone (1933-2003) mag zich gelukkig prijzen dat ze postuum niet de documentaire What Happened, Miss Simone? van Liz Garbus hoeft te zien, die Netflix uitzendt. Het is een voortreffelijke film, daar niet van, maar het is tegelijkertijd een onbarmhartig portret van een gekweld artiest. Simone had een donkere kant – soms met bijna vernietigende gevolgen voor haar talent.

Ze was nooit een favoriete zangeres van mij – daarvoor was haar uitstraling te grimmig, op het onsympathieke af – maar toch kon ik gefascineerd naar haar luisteren en kijken. Een geboren muzikante en performer; er gebeurde wat als zij achter de piano plaatsnam en haar keel opzette. Ze was een jazz-zangeres, maar ze hield niet van dat etiket, omdat ze met evenveel overgave blues en soul kon zingen.

„De blanken hadden Judy Garland, wij Nina”, zei de zwarte komiek Richard Pryor. Beter had hij haar strijdbare positie niet kunnen aanduiden. Zij streed een leven lang tegen de achterstelling van de zwarte bevolking van de Verenigde Staten. Al als aankomend muzikante had ze moeten ervaren hoe hoog de drempels waren voor een gekleurde artiest. Ze wilde klassiek concertpianiste worden, maar kreeg geen beurs van een muziekinstituut omdat ze zwart was. Althans, dat is haar versie van het verhaal; bij Simone weet je nooit zeker waar fictie en feiten in elkaar overgaan.

De verdienste van de documentaire is dat er een geloofwaardig beeld van haar ontstaat op basis van getuigenissen van insiders. De belangrijkste is haar dochter Lisa, die haar moeder niet spaart. „Ze vocht met haar demonen als ze alleen thuiskwam”, vertelt ze.

Eenzaamheid was een van die demonen, al in haar jeugd. Later kwam ze in een tumultueus huwelijk terecht met haar manager Andrew Stroud. Hij bereikte veel voor haar, maar terroriseerde haar tegelijkertijd. Ze was doodsbang voor hem. Gitarist Al Schackman vertelt hoe Stroud haar zwaar mishandelde nadat hij gezien had dat ze een briefje van een fan wegstopte. „Hij verkrachtte me”, heeft ze zelf gezegd.

Op het podium uitte ze zich steeds militanter, wat in 1964 resulteerde in haar controversiële song Mississippi Goddam – een verbitterd lied over de moord op de zwarte activist Medgar Evers. „Oh but this whole country is full of lies”, zong ze, „you’re all gonna die and die like flies.” „Als kunstenaar móét je over deze tijd zingen”, vond ze, „de mensen moeten kapot zijn als ze de nachtclub verlaten.”

Ze radicaliseerde steeds meer. Tegen Martin Luther King zei ze: „Ik ben niet geweldloos.” „Dat hoeft ook niet”, reageerde hij. „Ik ben bereid te doden als het nodig is”, zei ze later.

Het bracht haar in een isolement. Ze kreeg steeds minder werk, werd depressief en praatte over zelfmoord. Ze zocht soelaas in Afrika, maar kreeg daar een dramatisch conflict met haar dochter Lisa, die haar beschuldigde van mishandeling („ze werd een monster”) en haar verliet.

Via optredens in obscure Parijse nachtclubs kwam ze in 1988 ontredderd in Nederland terecht, waar een Nijmeegse bewonderaar, de wijnhandelaar Gerrit de Bruin, zich over haar ontfermde en haar carrière samen met haar manager weer op de rails zette. „Een zieke, manisch-depressieve vrouw”, noemde hij haar.

Ze gaf nog honderden concerten en overleed in 2003 in haar villa in Zuid-Frankrijk aan borstkanker.

    • Frits Abrahams