Rondetafelgesprekken

Schrijfster Pia de Jong is met haar gezin verhuisd van Amsterdam naar Princeton, in de VS. Ze schrijft wekelijks over wat haar daar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Wanneer ik door de deur ga van het Algonquin Hotel in New York, denk ik als vanzelf aan de woorden van Dorothy Parker. Toen een societydame voordrong met de opmerking „Leeftijd voor schoonheid”, repliceerde Parker: „Parels voor zwijnen.” Je moet er maar opkomen en je moet het maar durven zeggen.

Dorothy Parker heb ik altijd bewonderd. De vrouw die het slimste, het snelste was van de Vicious Circle, de kring van vooral mannelijke schrijvers en journalisten die van 1919 tot 1929 elke dag om de ronde tafel van dit hotel lunchten. Parker met haar sluike bruine haar nam haar leven lang geen blad voor de mond. Veel van haar wisecracks, bonne mots en oneliners zijn bewaard, al kun je je afvragen of ze die allemaal wel echt gezegd heeft.

Maar het ging haar er niet alleen om de grappigste te zijn. Integendeel. De joodse Dorothy Rothschild, dochter van een textielarbeider, was zich terdege bewust van de sociale tegenstellingen in het land. Omdat haar jeugd getekend was door antisemitisme, was ze gevoelig voor de discriminatie van zwarten. In 1927 publiceerde ze een verhaal in de New Yorker met de titel Arrangement in Black and White. Ze laat daar een vrouw op een feest aan het woord die graag wil kennismaken met de zwarte zanger. Als ze eindelijk met hem praat, maakt ze de ene na de andere denigrerende opmerking. Historisch gezien is er een diepe band van gedeelde discriminatie tussen de joodse en zwarte bevolking.

Parker had lak aan alles, niet in het minst haar eigen leven. „Excuses voor mijn as” was haar suggestie voor een grafschrift. Maar toen haar einde naderde, besloot ze een gebaar te maken. Ze liet al haar geld na aan de NAACP, de National Association for the Advancement of Colored People. Toen ze in juni 1967 overleed, ontving dominee Martin Luther King de gift van 20.448,39 dollar. „De heer zorgt voor ons wanneer het nodig is”, was zijn reactie. Niemand kon vermoeden dat hij zelf nog geen jaar later zou overlijden.

Parker wilde na haar dood geen herdenkingsdienst. Haar grafschrift bleek profetisch. Nadat ze gecremeerd was, wist niemand wat er met haar as moest gebeuren. Twintig jaar stond het op een plankje in een advocatenkantoor.

In 1988 ontdekte de NAACP dat de vrouw die zo’n genereus gebaar had gemaakt, geen herdenkingsteken had. Haar as werd naar het hoofdkwartier in Baltimore gebracht. Ze kreeg alsnog een echt grafschrift: „Voor de nobele geest die de eenheid van de mensheid waardeerde en de eeuwige vriendschapsband tussen zwarten en Joden.”

Dorothy Parker, die vier zelfmoordpogingen overleefde, was complexer dan de vrouw van de spitsvondige humor. Toen ze een eenzame dame was geworden die alleen met haar hondje in een hotel woonde, zei ze: „We waren een club mensen met een grote mond die niets leuker vonden dan op te scheppen. Of er waarheid zat in wat we zeiden, was niet van belang.”

Toch gaat er een lichte trilling door mij heen als ik de eetzaal van het Algonquin binnenloop voor mijn lunchafspraak. Aan de befaamde ronde tafel is het echter doodstil vandaag. Niet dat er niemand zit. Integendeel. Alle stoelen zijn bezet. Drank en eten staan op tafel. Alleen iedereen, echt iedereen, zit gebiologeerd te staren op zijn of haar mobiel.

Is er een beter beeld van de tijdgeest? Van de teloorgang van de conversatiekunst? Ach, hoe mis ik vandaag de scherpe tong van Dorothy Parker, die dit beeld vast in een enkele zin zou weten te vangen.

    • Pia de Jong