Ook in 1877 was verkoop een ‘nationaal verlies’

Nabestaanden deden de portretten van Maerten Soolmans en Oopjen Coppit voor 4.000 gulden van de hand.

Zoals de regering nu probeert de portretten van Maerten Soolmans en Oopjen Coppit terug te halen, zo probeerde de regering in 1877 ze te behouden. En niet alleen die twee portretten, maar de héle kunstcollectie van Annewies van Loon-van Winter, die haar tien kinderen wilden verkopen aan Gustave baron de Rothschild in Parijs. Dat deze poging niet lukte, en de collectie-Van Loon het land verliet, heette toen ‘een nationaal verlies’.

Dat althans schreef de redactie van het Algemeen Handelsblad boven een ingezonden brief van ene F.P. ter Meulen uit Den Haag, die de kwestie „een vergrijp aan de nationale eer gepleegd” en „een protest waard” noemde. Eerder al, aldus deze briefschrijver, was gewezen op „de noodzakelijkheid om zorg te dragen dat [de collectie], althans grootendeels, in het land bleef”. Maar „de pogingen, door bijzondere personen, en door de Regeering aangewend, hadden niets meer kunnen uitwerken”.

Wie was Annewies van Loon-van Winter en hoe kwam zij aan de portretten?

„Tante Annewies”, schrijft emeritus-hoogleraar Nederlandse literatuur Marita Mathijsen op haar blog over de 19de-eeuwse schrijver Jacob van Lennep, komt uit brieven naar voren als „een zelfzuchtig en veeleisend kreng” die, toen ze in 1877 stierf, „een stoet kinderen achterliet die besloten dat de enorme kunstcollectie van haar verkocht moest worden”.

Die kunstcollectie had Annewies (1793-1877) geërfd van haar vader, handelaar en kunstverzamelaar Pieter van Winter. Hij woonde aan de Keizersgracht in Amsterdam, waar hij in de tuin een gebouw voor zijn collectie had ingericht. Hij bezat werken van Rembrandt, Vermeer, Jan Steen en andere 17de-eeuwse meesters.

De portretten van Maerten Soolmans en Oopjen Coppit, schrijft Marita Mathijsen, kocht Van Winter in 1798 voor 12.000 gulden (nu zo’n 120.000 euro) „van een handelaar die er aan de familie 4.000 gulden voor betaald had”.

Toen Van Winter in 1807 overleed, ging zijn collectie naar Annewies en haar oudere zus, Lucretia Johanna. Die laatste ging zelf ook verzamelen, ze kocht bijvoorbeeld Het melkmeisje van Vermeer. Lucretia Johanna trouwde met jonkheer Hendrik Six, waarna haar werken in de familie en in Nederland bleven.

Heel anders dus verging het het erfdeel van Annewies. „Kortzichtigheid en hebzucht regeren de wereld”, schrijft Marita Mathijsen. „Als de erfgenamen van Jacob van Lenneps tante Annewies minder hebberig waren geweest, waren Rembrandts portretten van Maerten Soolmans en Oopjen Coppit nu nog in Nederland geweest”. De familie De Rothschild kocht de gehele collectie van Annewies van Loon-van Winter voor 1,5 miljoen gulden, anderhalve ton voor elk kind.

    • Gretha Pama