‘Kinderen sterven door een gebrek aan alles’

Waterexpert van Unicef

Hulporganisaties houden met veel kunst en vliegwerk basale overheidsdiensten draaiend.

Nadat Saoedi-Arabië en zijn sunnitische bondgenoten begonnen met hun luchtoorlog in Jemen moesten hulporganisaties hun programma volledig omgooien. „Voorheen gaven we voorlichting op het gebied van voeding en gezondheid”, vertelt Marije Broekhuijsen, waterexpert van het VN-kinderfonds, in een Haags café. „We leerden mensen dat ze hun handen moeten wassen en zorgden voor voldoende drinkwater.”

Nu houdt Unicef zich met heel andere zaken bezig. „In Aden hebben we samen met lokale autoriteiten en een internationale ngo de vuilnisophaal weer opgetuigd”, zegt Broekhuijsen, die vorige week een paar dagen in Nederland was. „Na maanden van zware gevechten lagen er metershoge bergen afval op straat, waarin de strijdende partijen mijnen hadden verstopt. Er dreigden ziektes uit te breken. Dit deden we eerst nooit.”

Het tekent de omvang van de humanitaire crisis in Jemen. De overheid is op veel plaatsen volledig ingestort. Doordat de Saoedische coalitie slechts mondjesmaat hulp en handel toelaat, is er gebrek aan alles. 15 miljoen mensen hebben gebrek aan gezondheidszorg, 1 miljoen is ondervoed. De hulporganisaties die nog in het land actief zijn, proberen met veel kunst en vliegwerk basale diensten draaiende te houden.

Samenwerken met oliebedrijven

Een van de grootste problemen is het gebrek aan brandstof. „Er waren nog enkele voorraden in het land, en er komt nog wel wat binnen”, zegt Broekhuijsen. „Maar ik ben bang dat het ophoudt. Doordat veel steden al maanden zonder stroom zitten, draaien ziekenhuizen op dieselaggregaten. Ook de waterpompen lopen op diesel. We onderhandelen met oliemaatschappijen om te zorgen dat de watervoorzieningen in tien steden, waarop drie miljoen zijn aangesloten, voorzien blijft van brandstof.”

De eerste maandsen kwam er vrijwel niets het land binnen. Maar inmiddels vliegen de VN weer drie keer per week op de hoofdstad Sana’a. De meeste hulp komt het land mondjesmaat binnen via bootjes uit de Hoorn van Afrika. Die kunnen aanmeren in kleine havens.

Doordat er op veel plaatsen zwaar wordt gevochten, is de bewegingsvrijheid van hulporganisaties beperkt. Unicef heeft een hoofdkwartier in Sana’a en daarnaast vijf lokale kantoren: in Sana’a, Saada, Hodeida, Taiz en Aden. Maar Taiz is al een maand onbereikbaar en Aden was dat lange tijd ook. De internationale staf moest zelfs enkele maanden uitwijken naar Jordanië vanwege hevige bombardementen, die een evacuatie onmogelijk dreigden te maken.

Onderhandelen met Al-Qaeda

Veel Jemenieten hebben hun toevlucht gezocht bij familie, op het relatief veilige platteland. Maar het is moeilijk om daar te komen. De strijdende partijen hebben overal controleposten opgericht. „We werken low profile via lokale partners, die bijvoorbeeld niet in konvooien rijden”, zegt Broekhuijsen. „Zo plukken we de vruchten van ons netwerk van Jemenitische organisaties dat we in al die jaren hebben opgebouwd.”

Wie overal wil hulp wil verlenen, moet ook onderhandelen met het Jemenitische filiaal van Al-Qaeda, dat van de chaos gebruik heeft gemaakt om de macht te grijpen in Mukalla, na Aden de belangrijkste havenstad in zuiden. Hier zijn veel mensen naartoe gevlucht. Ze bivakkeren in scholen of zijn opgevangen door familie, opeengepakt in kleine flats. Velen zijn afhankelijk van lokale handelaren, die aan veel aan liefdadigheid doen.

Broekhuijsen ziet de ujitbraak van ziektes of een hongersnood als het grootste gevaar. „Mensen gaan dood omdat de gezondheidszorg is ingestort. Diarree is een groot gevaar. Maar ik denk niet dat er een breekpunt is. Ik vrees dat de situatie langzaam verder verslechterd. Steeds meer kinderen sterven door een gebrek aan alles.”