Indonesië brandt voor palmolie

Achter de vaak illegale uitbreiding van palmboomplantages gaan machtige belangen schuil.

Brandbestrijding vorige week bij Sakakajang in de regio Pulang Pisau op Borneo. Foto Bagus Indahono / EPA

Meneer Tang is snel chagrijnig. De 60-jarige verkoper van smartphone-accessoires fulmineert op de stoep van Slim Lim Square, waar hij een winkel heeft, over sigarettenpeuken die Pakistaanse bouwvakkers op straat gooien. Maar zij bouwen tenminste nog de wolkenkrabbers van Singapore. Als je meneer Tang echt woedend wil krijgen, moet je beginnen over de dikke rookwolk die dezer dagen de kelen van Singaporezen irriteert en gebouwen in een gele nevel hult. „Komt allemaal uit Indonesië”, zegt Tang. „Ze ruïneren ons schone Singapore. Onze buren maken ons kapot.”

De woede van meneer Tang wordt breed gedeeld in Zuidoost-Azië. Elk jaar steken planters en boeren, groot en klein, tegen het einde van het droogseizoen in Indonesië illegaal bos en veen in brand om ruimte te maken voor landbouw en vooral nieuw palmolieplantages. Maar zelden is er sprake geweest van zo’n crisis.

Deze maand woedden en woeden in Indonesië 1.189 branden, constateerde de Amerikaanse non-gouvernementele organisatie World Resources Institute na bestudering van satellietbeelden. Als gevolg hangt er een rookwolk boven Sumatra, Singapore, Maleisië en Borneo, een gebied zo groot als West-Europa.

De schade is enorm. Alleen al in Indonesië worden de kosten op 10 miljard dollar geschat. Honderden vluchten zijn geannuleerd, winkels in zwaar getroffen steden als Pekanbaru en Padang (beide circa een miljoen inwoners) houden deuren gesloten en toeristen blijven weg.

Drie scholieren stierven op Sumatra, waar de overlast het hevigst is, aan ademhalingsproblemen, volgens artsen veroorzaakt door de rook. Nog eens tienduizend Indonesiërs in het gebied hebben ademhalingsproblemen. In Maleisië sluiten autoriteiten met regelmaat meer dan tweeduizend scholen, zodat kinderen niet de straat op hoeven. In Singapore deelt de gezondheidsdienst noodpakketten met mondkapjes uit aan kwetsbare ouderen.

Indonesië is een wingebied voor productiehout, rubber en vooral palmolie. Jaarlijkse produceren de 11 miljoen hectare aan Indonesische palmolieplantages, een gebied meer dan tweeënhalf keer Nederland, 33 miljoen ton palmolie, goed voor een exportwaarde van 18,4 miljard euro. Daarmee is Indonesië de grootste producent van palmolie ter wereld en is palmolie een van de belangrijkste inkomstenbronnen van het land.

Bos- en veenbranden

Hoogleraar Herry Purnomo van Center for International Forestry in de Indonesische stad Bogor zegt: „Doordat het lucratief is, is op ieder niveau de elite betrokken bij palmolie. Dat zijn machtige mensen.” De lokale elite op Sumatra en Indonesisch Borneo heeft belangen in de grond waar plantages komen en in het leveren van arbeidskrachten.

De landelijke elite in Jakarta heeft weer belangen in de grote overkoepelende multinationals die palmolie verhandelen. Dat maakt het zeer moeilijk de bos- en veenbranden te bestrijden. Bos en regenwoud in brand steken om ruimte te maken voor plantages is verboden, maar de wet maakt weinig uit als je goed bent met de lokale politiechef of een belangrijke minister.

De palmoliebedrijven zeggen dat het niet hun schuld is. Door het zeer krachtige weereffect El Niño is het dit jaar uitzonderlijk droog in Indonesië. De brandjes van kleine boeren om hun akkers vrij te maken, worden door de droogte onbeheersbaar en slaan over naar de concessies van de grote bedrijven, zeggen grote plantages als Asia Pulp & Paper. Kleine boeren steken zeker ook bos in brand, maar volgens niet-gouvernementele organisaties als World Resources Institute doen de grote plantages ook mee.

De branden liggen gevoelig, niet in de laatste plaats voor levensmiddelenfabrikanten als Nestlé, Procter & Gamble en Unilever, die willen uitstralen zo duurzaam mogelijke palmolie te gebruiken. Zij gebruiken palmolie in werkelijk alles: van brood tot snoep en make-up.

‘Duurzaam’ wordt vaak gedefinieerd als palmolie die niet afkomstig is van plantages waar bos of regenwoud voor gekapt of afgebrand is. Maar de levensmiddelenfabrikanten weten vaak niet waar hun palmolie exact vandaan komt. „De plantages van het bedrijf waar bijvoorbeeld Unilever zaken mee doet, kunnen best in orde zijn. Maar het is zo moeilijk zeker te weten of dat bedrijf niet tegelijkertijd palmolie verwerkt van kleinere plantages die wel ruimte scheppen door bos in brand te steken”, zegt hoogleraar Purnomo.

De afgelopen jaren is de diplomatieke druk door Singapore en Kuala Lumpur stevig opgevoerd. Ook zijn er stapels afspraken gemaakt binnen ASEAN, de samenwerkingsorganisatie van Zuidoost-Aziatische staten: vooralsnog tevergeefs. Ieder jaar is het weer raak.

Het onvermogen, of de onwil, van Indonesië om de branden en de rookoverlast aan te pakken leidt tot internationale gebakkelei en wrevel. „Elf maanden per jaar schenken wij onze buurlanden schone lucht en zij bedanken ons nooit. Ze hebben een maand hinder door de rook en ze worden al boos”, zei de Indonesische vicepresident Jusuf Kalla eerder dit jaar.

Het steekt Indonesië dat een paar grote palmoliebedrijven hun hoofdkantoor in Singapore of in Kuala Lumpur (Maleisië) houden. Beide landen verdienen indirect dus goed geld aan de Indonesische palmolieplantages. Dan moet je ook niet zeuren als er wat overlast is, luidt de Indonesische logica.

Arrestaties

Toch lijkt de houding in Indonesië voor het eerst te kenteren. Het hooggerechtshof oordeelde deze week dat PT Kallista Alam, een palmoliebedrijf, een boete van 366 miljard roepia (20 miljoen euro) moet betalen voor het afbranden van beschermd veenland in Atjeh.

Vrijwel tegelijkertijd arresteerde de politie directeuren van zeven bedrijven. Wie, werd niet bekendgemaakt, maar het is uitzonderlijk dat de politie zo hard optreedt. De rol van tweehonderd andere bedrijven wordt door de autoriteiten onderzocht.

Over praktische maatregelen als het aanleggen van brandgangen en een betere uitrusting voor de brandweer om in droge tijden brandjes onder controle te houden, wordt nog nauwelijks gesproken. Wel trokken in provinciestad Palangka Raya een paar honderd demonstranten de straat op, met mondkapjes als bescherming. Ze zwaaiden met posters met teksten als ‘Geen toestemming voor nieuwe plantages’. Palmolie mag dan werk en geld opleveren, de verstikkende rookwolken zijn ze beu.

Correcties en aanvullingen

Palmolie

In Indonesië brandt voor palmolie (29/9, p. E4-5) staat dat Unilever 42 procent van de gebruikte palmolie nog niet kan herleiden naar een specifieke plantage. Dit getal komt uit op het Palm Oil Report, dat Unilever in 2014 opstelde. Inmiddels heeft het bedrijf dit cijfer bijgewerkt. Eind 2014 was 30 procent van de palmolie niet direct herleidbaar.

    • Melle Garschagen