Opinie

    • Jannetje Koelewijn

Het vooroudergevoel van de Schokkers

Als nood je dwingt je geboortegrond te verlaten, en je komt ergens te wonen waar de mensen niet op je zitten te wachten, hoeveel generaties duurt het dan voordat de herinnering daaraan verdwenen is?

Dat vraag ik me af als ik in De nieuwe mens van Auke van der Woud lees dat in 1859 het eiland Schokland ontruimd werd, want het kon niet meer worden beschermd tegen de stormen op de Zuiderzee. Alle 588 mannen en vrouwen moesten weg. Waar gingen ze naartoe?

Dat was nog een heel gedoe, begrijp ik als ik op de website van de Schokkervereniging kijk. (Die bestaat dus, 800 leden.) Geen gemeente in Nederland wilde ze hebben.

Uiteindelijk kwamen de meeste katholieke Schokkers in het katholieke Volendam terecht, en 159 protestantse gezinnen gingen naar Brunnepe, een buurtschap buiten de stadsmuren van Kampen. De onderwijzer op Schokland, Arnoldus Legebeke, had daar voor 500 gulden (een jaarsalaris) een huis met een tuin gekocht. Die tuin verdeelde hij in 21 percelen van 4 bij 6 meter en daarop mochten de Schokkers huisjes bouwen. Hun oude huisjes hadden ze afgebroken en meegenomen, zeilend over de Zuiderzee.

Ik ga in Brunnepe kijken, en geloof het of niet, maar tussen Zwolle en Kampen zit ik in een treincoupé vol Eritreeërs. Magere jonge mannen die lachen om het grasgroene rivierenlandschap om ons heen.

Het huis van meester Legebeke, aan de Noordweg. Niet te vinden, overal nieuwbouw van na 1900, tot ik op de zijmuur van nummer 84 een bordje Schokkerbuurt zie hangen. Even denk ik dat daar een steeg is, maar nee. Het is een gangetje naar een voordeur.

Een blonde vrouw zet net haar fiets neer en tilt haar dochter uit het zitje. „Dat bordje? O, ja, dat is iets historisch. Het moet daar blijven, dat stond in het koopcontract toen we het huis kochten.” Ze weet niet waar het op slaat of wat het betekent. „Gek eigenlijk”, zegt ze. „Ik ben in Brunnepe geboren.”

Dan sla ik de hoek om en daar staat nog een Schokkerhuisje, het enige echte, volgens het plakkaat naast de voordeur. „Mijn oom heeft het dertig jaar geleden gekocht”, zegt de man die opendoet. „Hij heeft het afgebroken en opnieuw opgebouwd. Maar wel” – hij veegt met zijn hand over de gevel – „zoals het vroeger geweest moet zijn.”

Hij kent de geschiedenis van de Schokkers. Sterker, hij ís een Schokker, van oudsher dan. Zijn achternaam is Diender, een echte Schokkerse naam. Maar hij heeft er verder niks mee. Misschien dat het nog komt, bij zijn vader begon het ook pas op zijn oude dag. „Toen werd hij lid van die vereniging. Allemaal oude mannen die over Schokland praten alsof ze er nog gewoond hebben.” Zelf is hij 42.

Later bel ik met zijn achterneef, Jan Diender (78), hij is voorzitter van de Schokkervereniging geweest. Ik wil weten hoe het zit met de beenderen van de 148 dode Schokkers die dertien jaar geleden door zijn inspanning naar het voormalig eiland werden teruggebracht. Ze waren in 1940 opgegraven door een hoogleraar uit Amsterdam. Hij hoopte er de sporen van de raszuivere Nederlander in te vinden – maar daarover donderdag meer.

    • Jannetje Koelewijn