‘Een landelijk referendum kost 30 miljoen’

Dat meldden verschillende media de afgelopen dagen.

Illustratie Tamara Pruis

De aanleiding

‘Sandwichborden. Kapotte schoenzolen. Verzuurde kuitspieren.’ GeenStijl en de vrijwilligers van het ‘Leger des Peils’ hebben het bij hun poging tot het ‘redden’ van de democratie de afgelopen weken zwaar gehad. Dat was het waard: de campagne GeenPeil is een succes gebleken. Samen met de andere initiatiefnemers (Burgercomité EU en het Forum voor Democratie) haalde GeenStijl ruim 450.000 mensen over om een handtekening te zetten voor een landelijk (raadgevend) referendum over het associatieverdrag met Oekraïne.

De Kiesraad moet ze nog goedkeuren, maar de vereiste 300.000 geldige handtekeningen lijken ruim gehaald. Een overwinning voor de democratie, vinden de initiatiefnemers. Er is ook kritiek: zo’n referendum is niet gratis. Moet Nederland dat geld hier wel aan uitgeven? ‘Een landelijk referendum kost 30 miljoen’, meldden verschillende media, waaronder BNR, Metro en Radio 538 de afgelopen dagen.

Waar is het op gebaseerd?

In 2013 bracht minister Ronald Plasterk het bedrag ter sprake in de Tweede Kamer, tijdens de behandeling van het wetsvoorstel over het raadgevend referendum. „We taxeren, ook op basis van eerdere referenda, bijvoorbeeld over Europa, dat de organisatie- en uitvoeringskosten voor de gemeenten ongeveer 25 miljoen per keer zullen zijn”, zei hij. Maar daar zouden ook nog kosten bij komen: geld voor de Kiesraad (die onder meer de uitslag moet vaststellen), „wellicht” nog geld voor het ministerie van Binnenlandse Zaken, en voor de gemeente Den Haag, in het kader van stemmen van Nederlanders in het buitenland. En dan ook nog zo’n 1,5 miljoen euro voor een „bevorderingscampagne”. Conclusie: „De kosten per referendum kunnen 30 miljoen euro bedragen.”

Een logisch bedrag: ook het kostenonderzoek door Deloitte uit 2005, naar het referendum voor de Europese Grondwet komt daarbij in de buurt. Het is het enige vergelijkbare landelijke referendum dat in Nederland is gehouden.

En, klopt het?

Het onderzoek waarop Plasterk zich baseert, is inmiddels gedateerd. In 2013 werd er een nieuw onderzoek gedaan naar de kosten van de landelijke verkiezingen in 2012, te vergelijken met de kosten van een landelijk referendum. Het totaalbedrag was gestegen naar 42 miljoen.

Kosten die volgens het onderzoek een belangrijke impact hebben op het totale bedrag zijn de voorbereiding en uitvoering (49 procent van de totale kosten), huisvesting en faciliteiten (25 procent) en het drukken en verzenden van de stempassen (22 procent). Ook zijn er nog opleidingskosten (4 procent). Volgens het onderzoek viel het ook duurder uit doordat in 2005 het stemmen in de meeste gemeenten (80 à 90 procent) elektronisch ging, terwijl er in 2012 met het rode potlood werd gestemd. De stemcomputers zijn onder meer afgeschaft omdat ze onveilig bleken. Dat betekent trouwens niet per se dat de kosten omlaag zouden gaan als er stemcomputers zouden worden gebruikt. Gemeenten hadden die computers toen vaak al staan, waardoor ze bijna niets kostten. Nu zou er nieuwe apparatuur moeten komen. Zoals het ernaar uitziet, wordt bij het Oekraïne-referendum handmatig gestemd.

Melle Bakker, secretaris-directeur van de Kiesraad, denkt dat het referendum duurder wordt dan 42 miljoen euro. Want de kosten worden niet alleen gemaakt door gemeenten, terwijl het onderzoek zich daar wel uitsluitend op richt. Ook minister Plasterk noemde die overige kosten: enkele miljoenen. Bakker: „Ik heb gelezen dat de PVV en de SP campagne gaan voeren: dat kost ook geld. Al met al zit je eerder tegen 45 miljoen aan.”

Conclusie

Wat kost een referendum? Neem je de cijfers over het referendum over de Europese Grondwet uit 2005, dan kom je op zo’n 30 miljoen euro. Maar uit recenter onderzoek blijkt dat de verkiezingen uit 2012 voor gemeenten zeker 42 miljoen kostten. Dat bedrag is beter op de huidige situatie toe te passen. We beoordelen de stelling daarom als onwaar.

    • Kim Bos