Diergedrag

Diep in de Beierse bossen was ik te gast bij het Max Planck Instituut voor ornithologie, waar vooraanstaand vogelkundig onderzoek plaatsvindt. Het was een soort bedevaart, want een van de grondleggers van de gedragsbiologie – Konrad Lorenz – werkte daar.

Hij ontdekte dat ganzenkuikens zijn rubberlaarzen als moedervogel beschouwden en hem altijd volgden – als hij dat schoeisel droeg. Het bleek dat de jonge watervogels tussen dertien en zestien uur na het uitkomen van het ei gefixeerd raken op bijna alles wat beweegt.

Dit instinctieve hechtingsmechanisme heet ‘inprenting’. Er zijn wereldberoemde foto’s van Lorenz, zwemmend met een clubje ganzenkuikens rond zijn hoofd.

Het meertje waarin hij geregeld met zijn ganzen ging zwemmen, heet nu uit eerbetoon ‘Konrad-Lorenz See’. Zijn woonhuis aan de oever draagt nu de naam ‘Gänsehaus’ en is het domein van ravenonderzoekers. Elders op het instituutsterrein is in een gerenoveerd gebouw een aantal muurschilderingen van bezoekende wetenschappers bewaard gebleven.

Ertussen staat een treffende schets van een paartje baltsende kokmeeuwen, in 1958 gemaakt door Niko Tinbergen die toen bij Lorenz op bezoek was. In 1973 wonnen de twee vrienden samen met Karl von Frisch de Nobelprijs voor hun ontdekkingen op het gebied van diergedrag.