Sympathieke soapies

In een dynamische, nieuwe roman volgt Vlaamse schrijfster Saskia de Coster op de voet een flink aantal flatbewoners die wegens sloop huis en haard moeten verlaten. Aan iedereen zit in deze stadssoap een prettig steekje los.

Illustratie Paul van der Steen

Denk ik aan Saskia de Coster, dan denk ik al gauw aan ratten. Dat komt door Jeuk (2004), haar tweede roman, maar toevallig de eerste die ik van haar las. Het was een indringend, kleurrijk verhaal dat zich afspeelde in een of ander ver koninkrijk, een paar eeuwen geleden. Behalve een allesverwoestende rattenplaag was er een sprekende Rat, de rechterhand van de wraakgierige bastaardzoon van de koning, die de algehele regie in handen leek te hebben. Sinds Jeuk associeer ik De Coster (1976) met wonderlijke, sprookjesachtige vertellingen die alle kanten op kunnen en waarin onheil steeds op de loer ligt.

Maar in de loop van de vijf romans die ze de afgelopen tien jaar schreef, is er geleidelijk wel iets veranderd. Het sprookjeselement is niet helemaal verdwenen, maar haar boeken zijn minder grillig geworden, wat huiselijker ook. Ook in haar dynamische nieuwe roman, Wat alleen wij horen, draait het om een groep mensen die je exemplarisch zou kunnen noemen. De mensen worden deze keer niet bijeengehouden door bloedbanden, maar door de muren van het gebouw waarin ze wonen.

Plaats van handeling: een flatgebouw uit 1920, acht verdiepingen hoog, ooit gebouwd aan de stadsrand, maar inmiddels opgeslokt door de zich steeds verder uitbreidende stad. Bij oplevering was het een bijzonder gebouw, maar nu, bijna honderd jaar later, wordt het rijp geacht voor de sloop, omdat het niet meer zou voldoen aan ‘de hedendaagse energienormen’.

Natuurlijk zit er een steekje los

Het Atlasgebouw, zoals de nogal universele naam van de flat luidt, omvat veertig appartementen waar zo’n honderdtwintig mensen wonen. Van al die mensen komt een soort dwarsdoorsnede aan bod. In de loop van tientallen korte, losjes vertelde en levendige hoofdstukken leren we een bejaarde, een kind, een schrijfster, een conciërge en een journaliste steeds beter kennen. En Saskia de Coster zou Saskia de Coster niet zijn als niet aan alle deelnemers aan deze zeer geanimeerde stadssoap een steekje los zou zitten.

Het bijzondere van deze romanfiguren is dat ze niet graag in hun eentje opereren. Ze roepen steeds de hulp in van anderen, al of niet aanwezig, om zich onderdeel te kunnen voelen van een ‘wij’, hoe minimaal ook. De lichtjes dementerende bejaarde luistert voortdurend bandjes af die hij zelf ooit insprak. Het zesjarige kind praat niet alleen met de dieren uit zijn prentenboeken, maar ook met parkieten, die bijna als een soort groene ratten door de roman fladderen. De schrijfster sluipt af en toe andermans appartement binnen om zich daar, voor de verandering, zelf eens een personage te kunnen voelen, door anderen bestuurd. De conciërge voert vrolijke gesprekken met een niet-bestaande pizzabezorgster. En de hyperactieve journaliste hoort stemmen in haar hoofd van wel drie verschillende vrouwen die haar steeds van alles influisteren.

De Coster voert in deze veelstemmige roman een sociaal experiment uit. Wat gebeurt er met een groep mensen die te maken krijgt met een duistere ‘Firma’ die zonder enige vorm van inspraak of overleg zijn huurders voor een voldongen feit stelt? Ze krijgen plompverloren te horen dat hun huis zal worden gesloopt. We zien hier, zo wordt losjes gesuggereerd, een samenleving op drift, die uit zijn dagelijkse sleur wordt opgeschrikt en ineens gedwongen wordt tot het maken van keuzes. Hoe gaat het dan verder?

We zien hier het gezonde verstand en een prettig soort nabuurschap zegevieren. Geen ratten, maar vredesengelen. Maar gelukkig is er nog altijd de frisse, montere toon van De Coster en haar onbekommerde manier van vertellen. En vooral zijn er haar mooie zinnen en beelden. Zij laat kleren van iemand ‘afregenen’. Zij noemt een drol een ‘afworst’. En ik zal nooit meer naar een kil persoon kunnen luisteren en kijken zonder ‘ijzerdraad’ in zijn stem te horen en ‘ijsblokjes’ in zijn ogen te zien.

En ook al gebeurt er in deze heuse feelgood-roman welbeschouwd zo goed als niets (de ene flat wordt opgebouwd, de andere afgebroken), toch heb ik me ruim driehonderd bladzijden lang geen seconde verveeld met het eindeloze gezaag van De Costers sympathieke soapies.