Op het nippertje intelligenter dan gedacht

Wie zoet is krijgt lekkers, maar het duurt tot de laatste bladzijden tot het zover is. Tot die tijd lijkt de nieuwe roman van A.H.J. Dautzenberg een desillusie: dat zo’n prettig waanzinnig plan zó voorspelbaar wordt uitgewerkt. Dautzenberg zou Dautzenberg niet zijn als hij dat gevoel niet zou logenstraffen, maar óók niet als hij de lezer niet tot het uiterste zou sarren. Om die reden moet je Wie zoet is uiteindelijk op z’n minst een tergend onevenwichtige roman noemen.

Dautzenberg schreef een ‘Sinterklaasroman’, die nog de meeste trekjes heeft van de horrorfilm Sint (2010) van Dick Maas. De goedheiligman wordt hier namelijk voorgesteld als een kwade genius.

Het eerste deel van de roman bestaat uit interviews met mannen die allemaal eens of vaker de tabberd hebben aangetrokken. Dat het met één van de Sinterklazen slecht afloopt, is voor de lezer dan al duidelijk: daarover lezen we dialogen tussen een ontvoerde en zijn gijzelnemer, waarbij die laatste overduidelijk ze niet allemaal op een rijtje heeft.

We lezen dus de stukjes die een psychopathisch type op zijn weblog postte (‘Reacties (0)’ staat eronder) en we zien het onherroepelijk afstevenen op ellende. Dat duurt lang – te lang. En je vraagt je af: zou het Dautzenberg, uitgesproken tegenstander van heksenjachten tegen pedo’s, dan alleen te doen zijn om het tonen dat pedojagers griezeliger kunnen zijn dan de vermeende pedofielen?

Na de interviews wordt Wie zoet is een brievenroman. De schrijver ervan, Nol, kennen we nog niet, maar hij moet de zevende en laatste zijn in de reeks interviewslachtoffers: we lezen het logboek van zijn ontvoering. In De Fictiefabriek (2014, samen met Diederik Stapel) bewees Dautzenberg zich als begenadigd briefschrijver, maar deze correspondentie is eenzijdig en gaat vrij gauw vervelen. Totdat het dagboek abrupt eindigt, en we de climax van de ontvoering lezen. Hij draait finaal door – en wie de verhalen in En dan komen de foto’s (2014) kent, weet hoe beestachtig Dautzenberg kan schrijven, absurdistisch en goed, en hoe ver hij kan gaan.

Te ver misschien – maar dan vooral in het tergen van de lezer, want zelfs de sterkere stukken neigen nog naar al te voorspelbaar. Verlossing komt er in een slothoofdstuk en een ‘Verantwoording’, waarin de schrijver vertelt dat het gaat om een ‘waargebeurd verhaal’, en dat hij putte uit dagboeken van ‘Arnold Veltkamp’. Dat is nog niet de crux of allergrootste verrassing, maar de inhoud moet in nevelen blijven.

Op het nippertje blijkt Wie zoet is intelligenter dan gedacht: een metaboek, waarvoor Dautzenberg al zijn fictiekunsten én zijn reputatie inzette. Eigenlijk kun je het daarmee met een nieuwe blik opnieuw lezen, maar ook dan blijft het een onevenwichtige roman over een matig interessante psychopaat.

    • Thomas de Veen