Improvisatie is hard nodig bij huisvesting (ex-)vluchtelingen

Vergunninghouders, onthoud die naam ter onderscheid van vluchtelingen en asielzoekers. De vergunninghouder was ooit een vluchteling, hij zocht asiel in Nederland en kreeg dat ook. Na de daartoe strekkende procedures te hebben doorlopen. Dat duurde wel even.

De vergunninghouder is een inwoner die, vermoedelijk definitief, in Nederland is gevestigd en als gevolg van zijn situatie is hij een urgent woningzoekende. Want hij is nu ondergebracht in een asielzoekerscentrum (AZC) of een of andere vorm van noodopvang. Daar hoort hij niet, want hij hoeft geen asiel meer te zoeken. Bovendien is het dringend gewenst dat hij plaatsmaakt, want steeds meer vluchtelingen komen Nederland binnen voor wie acuut een dak boven het hoofd moet worden gevonden.

Ziehier het probleem waarmee gemeenten en woningcorporaties kampen. Uit een enquête in opdracht van deze krant bleek dat maar een op de vijf gemeenten voldoende woonruimte heeft voor ‘asielzoekers met een verblijfsstatus’ zoals ze worden genoemd. Dat blijkt ook wel uit de officiële cijfers van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA). De 393 gemeenten hadden per 1 augustus nog een flinke achterstand bij de huisvesting van vergunninghouders. Ze worden geacht er dit jaar 28.900 woonruimte bieden, in ongeveer 18.000 gevallen moet daarin nog worden voorzien; een handjevol gemeenten heeft juist aan meer dan zijn plicht voldaan.

Het woord ‘plicht’ staat hier omdat volgens de Huisvestingswet de vergunninghouders in de categorie ‘urgent’ moeten worden ingedeeld, net als bijvoorbeeld personen die in blijf-van-mijn-lijfhuizen verblijven en mantelzorgers. Het is evident dat deze voorrangsregeling ten koste gaat van andere woningzoekenden en dus dat dit scheve ogen geeft bij Nederlanders die nooit vluchteling waren.

Dat is een groot en urgent probleem. En het wordt niet snel kleiner, want van de gemeenten wordt verwacht dat ze in de eerste helft van 2016 nog eens 20.000 vergunninghouders aan woonruimte helpen. Normaal gesproken gaat dat via woningcorporaties, de sociale verhuurders. Terecht is nu de vraag gesteld of gelet op de onvoorziene noodsituatie corporaties wel moeten doorgaan met de verkoop van huurwoningen. Hier wreekt zich ook een al jarenlange zwakte van de woningmarkt: een tekort aan particuliere huurwoningen of relatief goedkope koopwoningen, waardoor de doorstroming wordt belemmerd.

Opvang van vluchtelingen betekent in de huidige situatie het snel nemen van onorthodoxe maatregelen, het vergt ook improvisatie op de woningmarkt opdat het helaas schaars beschikbare aanbod aan goedkope huurwoningen zo eerlijk mogelijk wordt verdeeld.