Opinie

    • Frits Abrahams

Connie komt!

‘Een eigenaardig toeval’’, dacht ik, terwijl ik in een mild najaarszonnetje over het Spui in Amsterdam kuierde en boekhandel Atheneum passeerde. Het was zondagmiddag, even na twaalven. Een grote vitrine aan de voorzijde was geheel gevuld met exemplaren van Connie Palmens nieuwste boek Jij zegt het en op de ruit kleefde een affiche met de tekst: „Connie komt!’’

Ik keek de winkel binnen en zag haar bij de ingang zitten signeren. Klanten stonden in een rijtje voor haar tafel te wachten tot het hun beurt was. In mijn rechterhand hield ik een plastic tasje met een exemplaar van Jij zegt het, dat ik net bij een concurrerende boekhandel had aangeschaft.

Naar binnen gaan en het snel even door Connie laten signeren? Zij zou er geen punt van maken, vermoedde ik, maar bij Atheneum zouden ze niet staan te juichen als ik mijn exemplaar uit het tasje van de concurrent tevoorschijn toverde. Misschien zou een attente winkelbediende wel toeschieten om mij te beduiden dat „dit niet de bedoeling’’ was.

Er waren grenzen aan de brutaliteit, besloot ik, en liep braaf door, ook een beetje opgelucht omdat ik nu een goede reden had om geen handtekening te vragen. Daarin ben ik nooit een grote held geweest. Ik moet er te veel gêne voor overwinnen, of is het misplaatste trots?

Op het gebied van gesigneerde boeken houd ik er een dubbele moraal op na. Ik vind het leuk om ze te bezitten als ze van favoriete auteurs zijn, maar ik zal er niet mijn best voor doen. Als ik zulke schrijvers spreek, zal ik nooit om een handtekening in een van hun boeken vragen; toch ben ik gevleid als ze het me aanbieden – en ik zal zulke boeken ook nooit wegdoen.

Zo kon het gebeuren dat ik Simon Carmiggelt interviewde zonder hem om een handtekening in een boek te vragen, en vele jaren later bij een antiquariaat een bundel van hem kocht omdat het een gesigneerd exemplaar was.

In één geval heb ik mijn terughoudendheid ronduit betreurd. Halverwege de jaren tachtig liep ik ook toevallig langs Atheneum toen ik naar binnen keek en het ietwat geprangde gezicht onder een dichte haardos onmiddellijk herkende. Raymond Carver! Mijn favoriete verhalenschrijver, net overgekomen uit de Verenigde Staten, zat drie meter van mij vandaan zijn boeken te signeren. Dit was dé kans – en wat deed ik? Ik liep nuffig door, mezelf wijsmakend dat het niet nodig was omdat ik al zijn boeken toch al had, alsof dat er iets toedeed. Drie jaar later was Carver morsdood.

Al deze gedachten schoten nu door mij heen terwijl ik mij van Connie verwijderde om een kop koffie te drinken in de serre van café Luxembourg, ook een soort vitrine, maar dan met mensen in plaats van boeken.

Ik kwam niet helemaal van Connie los, merkte ik, want in de verte zag ik haar achter haar tafel signeren. Er was enige bedrijvigheid in de winkel, maar het was niet overstelpend druk, niet zoals toen mensen buiten tot halverwege het plein stonden omdat Jan Wolkers binnen signeerde. Toen was signeren nog niet gewoon.

Connie kwam halverwege naar buiten om een sigaretje te roken. Ze was zwierig gekleed in een lange, roomkleurige jas, een sjaal om de hals geslagen, donkere laarzen eronder. Ze praatte druk met een grijze man die binnen naast de tafel had gestaan. Daarna ging ze weer terug om haar arbeid te hervatten. Een halfuurtje later zat het erop. Ze rookte buiten nog één sigaret en nam afscheid.

    • Frits Abrahams