Ze pronkten graag met hun rijkdom

Oopjen en Maerten hadden best wat geld, maar uitzonderlijk waren ze niet. Maerten maakte zijn studie nooit af en Oopjen liep achter op de mode. Het verhaal achter de geportretteerden.

De Dam rond de tijd waarin Maerten en Oopje leefden, geschilderd door Adriaen van Nieulant (1587-1658). Dit is tijdens de laatste Leprozenommegang op Koppertjes-maandag, geschilderd in 1633.

Waarom koos het echtpaar Soolmans, toen het zich in 1634 liet portretteren, voor Rembrandt van Rijn en niet voor de oude rot in het vak Nicolaes Pickenoy? Of voor Jacob Backer of Thomas de Keyser? Die waren allemaal bekwaam en aanzienlijk goedkoper. Je wist precies wat je kreeg en deze schilders hadden minder noten op hun zang dan die jonge Rembrandt, die eigengereide nieuwkomer in Amsterdam.

En moest dat nou zo nodig levensgroot? En dan ook nog in de allernieuwste, uit Frankrijk overgewaaide mode?

Ja dat moest, en dat had alles te maken met geld, status en smaak.

Wat dat geld betreft: beide echtelieden waren zeer gefortuneerd. De vader van Marten of Maerten Soolmans, Jan Soolmans, was afkomstig uit Antwerpen en vestigde zich in of kort na 1585, toen die stad door de Spaanse troepen was ingenomen, in Amsterdam. Jan Soolmans was een van de tienduizenden refugiés die hun kennis, hun kapitaal en hun commerciële contacten meebrachten naar het noorden. Hij zat in de suiker, dat wil zeggen, in de suikerraffinage en in de suikerbakkerij. Behalve geld verdienen verstond hij nog een andere kunst: ruziemaken. Uit de Amsterdamse kerkenraadsarchieven komt hij naar voren als iemand die niets liever deed dan schelden; met graagte ging hij over tot handgemeen.

Zijn zoon Maerten werd geboren in 1613 en vond een gespreid bedje. Op zijn vijftiende jaar schreef hij zich in Leiden in als student in de rechten. Het zag er allemaal nog zonniger uit toen een huwelijkskandidaat gevonden werd: Oopjen Coppit.

Ook Oopjen, geboren in 1611, kwam uit een gefortuneerd milieu, maar op een andere manier. Zij stamde uit een oud, vermogend Amsterdams regentengeslacht. De Coppits hadden fortuin gemaakt met onder andere de handel in graan en buskruit. De nog niet verdeelde nalatenschap van haar in 1629 overleden grootvader werd geschat op 200.000 gulden en zij bracht de aanzienlijke bruidschat mee van 35.000 gulden.

Op 9 juni 1633 ging het paar in ondertrouw in Amsterdam. Maerten woonde toen nog op het Rapenburg in Leiden, Oopjen bij haar ouders in de Nieuwe Hoogstraat in Amsterdam. Met dit huwelijk werd het kapitaal der nieuwkomers gekoppeld aan het oude eerbiedwaardige patriciaat. Maar hoewel zeer vermogend behoorde het jonge echtpaar niet tot de financiële top van de stad.

Rijkdom moest je etaleren

Verworven rijkdommen werden in een stad als Amsterdam tot ongenoegen van de rechtzinnige predikanten ruimschoots geëtaleerd en wel met de aanschaf en de inrichting van grote huizen, met kleding en met een weelderige levensstijl. Het laten portretteren speelde daarbij een rol, maar was doorgaans geen kostenpost van betekenis. Bij Rembrandt lag dat anders. Hij vroeg hoge bedragen. De prijs die het echtpaar Soolmans moest betalen is niet bekend, maar door vergelijking met verwante portretten kunnen we die stellen op zo’n vijfhonderd gulden. Dat is bijna tweemaal zoveel als het jaarsalaris van een geschoolde werkman.

Amsterdam kende al een rijke portrettraditie. De klant kon kiezen uit een gevarieerd aanbod in soorten, maten, kwaliteit en natuurlijk prijs. Voor een individueel portret bestonden mogelijkheden voor een eenvoudig kop-, borst- of schouderstuk of voor een kniestuk, staand of zittend. Een portret op ware grootte van een staand individu was voorbehouden aan personen van adel en voor hoge militairen. Een portret ten voeten uit van burgers kwam in Nederland maar zelden voor en een dubbelportret al helemaal niet. Slechts een kleine groep uit het Amsterdamse patriciaat koos voor een dergelijke verbeelding.

We weten niet wie voor Rembrandt gekozen heeft. Het kunnen Maertens moeder of zijn voogden zijn geweest, of de ouders van Oopjen. Het is goed mogelijk dat ze de schaarse voorbeelden hebben gezien van geportretteerde Amsterdamse burgers ten voeten uit.

Portretten betalen goed

Rembrandt, die pas vanaf 1631 definitief in Amsterdam woonde, zag zichzelf in de eerste plaats als schilder van bijbelse en mythologische voorstellingen. Maar hij schilderde ook portretten. Die stonden in de kunsten lager in aanzien, maar betaalden nu eenmaal goed. Zijn ster was gerezen in de jaren twintig; hij kreeg opdrachten van de stadhouder en bij een kring van liefhebbers had zijn werk grote indruk gemaakt. De clientèle groeide in de booming city Amsterdam fors. Beroep of geloof maakte hem niet uit. „Zyn konst werd zoodanig in zyn tyd geacht en gezocht”, schreef de schilderbiograaf Houbraken later, „dat men hem (als het spreekwoort zeit) moest bidden en gelt toegeven”. Wie het zich kon permitteren en zijn vooruitstrevende smaak ten toon wilde spreiden, kwam dan ook al snel bij Rembrandt terecht.

Daar kwam nog iets bij. Maerten had in Leiden gestudeerd en hij kan Rembrandt daar al eens hebben ontmoet. En Oopjen woonde bij haar ouders in de Nieuwe Hoogstraat en Rembrandt woonde daar vlakbij, bij Uylenburgh in de Sint Antoniesbreestraat. Statusgevoeligheid speelde bij de keuze een grote rol, wat artistieke voorkeur overigens niet uitsluit: verwanten van zowel Maerten als van Oopjen bezaten werk van Rembrandt.

Rembrandt kweet zich goed van zijn taak. Hij toverde in het jaar 1634 – het jaar dat hij zelf in het huwelijk trad met Saskia van Uylenburgh – op het doek twee indrukwekkende portretten. Het zijn twee waarachtige individuen en in tegenstelling tot de oudere Nederlandse dubbelportretten, waar de geportretteerden stokstijf poseren, wist Rembrandt zijn echtpaar weer te geven in één ogenblik, met – door Maertens handgebaar en door de ene voet van Oopjen – een subtiele suggestie van beweging. Er hangt ook een intiemere, minder afstandelijke atmosfeer. Zelfs Rembrandts keuze om de plavuizen niet puntgaaf weer te geven zoals op de andere grote portretten, maar met barsten en al, werkt daaraan mee.

Schoenen met reuzenrozetten

Rembrandt heeft Maerten geen attributen meegegeven die iets over zijn werkzaamheden zouden kunnen zeggen, geen boek, geen papier, pen of globe. Daar deed hij vrijwel nooit aan. Belangrijker waren de kleren en de accessoires. Stuk voor stuk getuigen die van een grootse, doelbewust geëtaleerde weelde. Precies dat soort extravagantie waar de calvinisten zo op foeterden. Pronkzucht was hun een gruwel. „Zij”, zo schreef een rechtzinnige predikant over de geïmmigreerde zuiderlingen en hun nakomelingen, „brachten de pracht en kostelheit van klederen in de steden die hen herbergen, verleidende d’ingeborenen tot het misbruik derselve ijdelheit”. Precies dat was met Maerten en Oopjen het geval.

De twintigjarige Maerten is gekleed in kostbaar zwart met strikken, kanten kraag, manchetten en kousenbanden. Het meest opvallend zijn de reuzenrozetten op zijn schoenen. Hij houdt een handschoen in zijn linkerhand in de richting van Oopjen, wat op te vatten is als een teken van trouw. Oopjen, in haar zwarte, mantelachtige zijden gewaad, draagt kostbare, verfijnde sieraden: een waaier van zwarte struisvogelveren, oorbellen, een halssnoer van parels, vier rijen dik, aan beide handen een ring en nog een ring aan haar halsketting.

Beiden zijn in het zwart gekleed en Oopjen draagt zelfs een zwarte sluier, maar dat zijn geen tekenen van rouw. Dergelijke kleding droeg de elite in deze periode op hoogtijdagen. Het zwart benadrukt de destijds gewenste blankheid van de huid. Dat geldt ook voor de tache de beauté op Oopjens linkerslaap. Voor de modepolitie van destijds moet het door kleine details direct zichtbaar zijn geweest dat ze uit Amsterdam kwam en dat ze iets achterliep op de allerlaatste Parijse mode. Uit latere boedelinventarissen van Oopjen blijkt ook nog eens hoe modebewust ze gebleven is.

Waar de schilderijen aanvankelijk hingen is niet bekend. Waarschijnlijk in huize Soolmans of in huize Coppit, waar het echtpaar ging wonen. Later noteerde een notaris „twee conterfijsels Maerten Soolmans en Oopie Coppit” in het woonhuis aan het Singel waar Oopjen met haar tweede echtgenoot woonde. Ze hingen daar in het voorhuis, een soort ruime, hoge vestibule.

Niemand wist meer wie ze waren

Van een glanzende carrière als stedelijk regent is het bij Maerten Soolmans nooit gekomen. Zijn studie heeft hij nooit afgemaakt en het echtpaar Soolmans verhuisde naar Naarden. Na een vroeg overleden zoontje werd in 1636 zoon Jan geboren. Maerten zag hem niet opgroeien, hij overleed in 1641.

Oopjen hertrouwde en overleefde ook haar tweede echtgenoot. Uiteindelijk verhuisde ze naar Alkmaar waar haar zoon Hendrick uit haar tweede huwelijk woonde. Ze overleed daar in 1689, 78 jaar oud, 55 jaar nadat Rembrandt haar zo imposant had vereeuwigd. Via haar eerste zoon Jan bleven de portretten nog een tijd in de familie.

Van het familiekapitaal was niet zoveel meer over, en toen niemand meer wist wie de voorgestelden waren, werden de portretten verkocht.

Inmiddels weten we al zestig jaar wie hier zijn geportretteerd en dat er achter hun gouden sieraden en hun parels een verhaal schuilgaat van suiker, graan en buskruit.

    • Roelof van Gelder