We leven in Arcadië (Nou ja, bijna)

Vroeger waren we arm, lelijk, bang en dom. We zopen, mishandelden vrouwen, kinderen en dieren. Dat is nu minder. Lang leve de vooruitgang!

Foto Sabine Joosten/ Hollandse Hoogte

We leven in angstige tijden. De Nieuwe Grote Volksverhuizingen zijn begonnen, in onze Tweede Kamer klinkt de stem van het morrende volk: ‘Dit is een nepparlement. We gaan de straten en gemeentehuizen vullen om te demonstreren.’ De opstand der horden, met op de achtergrond een dreigende opleving van de Koude Oorlog, en nog veel onheilspellender het spookbeeld van de mens die de aarde vernietigt – global warming, leven in de oceanen gedecimeerd. Als we niet snel dit, dan…

Over de oceanen publiceerde René ten Bos vorig jaar zijn briljante geofilosofische studie Water, een overzicht van hoe de mens zich gaande de eeuwen heeft verhouden tot de vloeistof die het grootste deel van onze aardkost bedekt. Het is een dringende oproep tot anders denken (en doen): de oceanen dreigen in microbiologische oersoep te verkeren. Water is een must read die vrolijk maakt vanwege de tentoongespreide eruditie en de meeslepende (kapitalisme-vijandige) betoogtrant. Met een krachtig vijf-voor-twaalf-gehalte, dat ons flink de zorgen injaagt. Ik was er diep van onder de indruk, en ben op advies van Ten Bos hardnekkig water-Umdenken gaan beoefenen.

Nu verscheen Alles wordt beter! (Nou ja, bijna alles) van Elsevier-wetenschapsjournalist Simon Roozendaal. Men zou het tegengif voor de angst kunnen noemen, en in dit goed-nieuwsboek wordt beslist niet met homeopathische hoeveelheden gewerkt. Ook Alles wordt beter! is een must read, niet minder erudiet dan Water (al graaft Roozendaal breder en minder diep dan Ten Bos). Meeslepend schrijft hij ook, en zijn optimisme is bijzonder aanstekelijk.

Alles wordt beter! opent met een mitraille van hoofdstukjes die korte metten maakt met de gedachte dat vroeger alles beter was. Vroeger was de lucht immers vies, net als het water en de auto, er was geen stroom, het huishouden was zwaar, overal was oorlog, de doodstraf werd kwistig toegepast, al die enge ziektes van toen, de pijn bij de tandarts, laat staan bij amputaties! We waren arm, moesten zwoegen in ’s Heren wijngaard, waren lelijk, bang, dom, we zopen, mishandelden vrouwen, kinderen en dieren, we hakten meer bomen om en kwamen nergens. Ik had het over de eruditie van Roozendaal. In het ‘Vroeger was de lucht vies’-hoofdstuk haalt hij naast Charles Dickens en diens tijdgenoot Alexis de Tocqueville, Betje Wolf en Aagje Deken aan, die in Sara Burgerhart (1782) noteerden ‘Ik kan niet zeggen dat ik ooit een ongevalliger plaats heb gezien dan het berookte Schiedam: een nare, droevige rook en een nog veel lelijker fijn zwart stof.’ De lucht zat vol zwaveldioxide, dezelfde smog-stof die nog te Londen in december 1952 vierduizend mensen voortijdig het leven deed laten.

Partij voor de dieren

In Nederland, zo meldt Roozendaal, is de zwaveldioxidevervuiling de laatste vijftig jaar met een factor 100 tot 200 afgenomen. Sterker: we hebben gebrek aan vervuiling: ‘Er zit tegenwoordig zo weinig zwavel in de regen dat spruiten en wintertarwe niet goed meer groeien.’ Gebrek aan fosfaatvervuiling ook: ‘Mede daardoor is de vangst aan schelpdieren in Noord- en Waddenzee ruim de helft minder dan destijds.’ Maar de rivierkreeft leeft weer in onze grachten, de buizerd is terug, net als aalscholvers, ooievaars, reeën, wolven (Duitsland), beren (Alpen), tot en met oerrunderen en -paarden (Oostvaardersplassen).

Er is weer ruimte voor aandacht en liefde voor de natuur – onze Partij voor de Dieren staat er symbolisch goed voor in de peilingen. Dankzij onze welvaart, zegt Roozendaal. Ons hoge bestaanspeil laat het toe. We hebben dat peil te danken aan het kapitalisme. Dit is een opmerkelijk verschil met de opvattingen van de auteur van Water, die de versoeping der oceanen juist toeschreef aan datzelfde kapitalisme. Ik kom nog even terug bij de (zwaveldioxide) rokende schoorstenen, in de woorden van Dickens: „Rook is in alle opzichten het gezondste in de wereld en in het bijzonder voor de longen.” Hier schuilt een diepe waarheid in, zegt Roozendaal. „Want hoe slecht luchtvervuiling in het 19de-eeuwse Engeland ook voor de longen was, in zekere zin was die ook goed voor de longen – want die zaten en zitten in lichamen die dankzij de groeiende welvaart, waarvan de rokende schoorsteen het symbool was, langer meegingen.” Zodra mensen rijker worden, leven ze langer. En de natuur wordt er beter van.

Allesaufwärts dus. Vanwaar dan die angst en somberheid alom? Roozendaal haalt de filosoof David Hume aan, die in 1754 schreef dat de mens de neiging heeft om op de tegenwoordige tijd te mopperen, en het verleden te verheerlijken. En schrijft dan: „Misschien komt dat wel omdat we stiekem een hekel hebben aan onszelf en onze soortgenoten, de dingen die we maken of de samenleving die we hebben geconstrueerd.” Dit is een verschijnsel dat Roozendaal met name in de milieubeweging ziet: groene zelfhaat. Natuurwandelaar Jac P. Thijsse zei het al: de mens deugt niet. Roozendaal is minder categorisch. De mens deugt best, als hij (technofoben, chemofoben en lijders aan andere fobieën) zich maar niet verzet tegen economische groei en de zegeningen daarvan. Er is geld nodig voor schone lucht en schoon water, geld om ziektes terug te kunnen dringen, voldoende voedsel voor wereldbevolking te garanderen, en onze planeet leefbaar te houden. Op basis van veel gegevens beargumenteert Roozendaal dat zonder de (dure) genetische manipulatie gigantische voedseltekorten zouden bestaan, en dat de veelgesmade farmaceutische industrie juist een zegen voor de mensheid betekent. Hij suggereert trouwens – en nog best overtuigend ook (of is het ‘overredend’?) dat bewegingen als Greenpeace juist speculeren op angst, en deze zelfs aanwakkeren om daardoor meer fondsen te kunnen werven.

Bijna dan

De mens deugt niet? Heeft geen hart voor de natuur? Onzin, zo lezen we in Alles wordt beter! De mens is groen van binnen, en zodra hij geld heeft komt zijn biofiele aard boven. Hij houdt van de boom die bloeit, het gras dat groeit en de wind die van de wolken waait. Ik ben zelf biofiel, zegt vogelliefhebber Roozendaal, en waarom zouden we hem niet geloven? Dat hij óók een rasoptimist is, staat als een paal boven water. En daarbij een goede schrijver: hij weet mij met zijn lofzang op kapitalisme en vooruitgang te betoveren.

Maar wat moet ik nu met mijn Umdenken over water? En mijn grote zorgen over Nieuwe Grote Volksverhuizingen, het ontevreden, angstige volk dat mort en achter hun Germaans gekuifde Gauleiter straten en gemeentehuizen wil gaan bezetten, omdat regering en ‘nepparlement’ hun rechten in de weg zou staan?

Misschien is het wel dat volk dat als eerste Simon Roozendaals Alles wordt beter! moet lezen. Geduld mensen! Het komt goed! Nou ja, bijna alles. Dat ‘bijna’ intrigeert toch. Daar gaan we eerst eens grondig op studeren.

    • Atte Jongstra