Waarom Haagse visies zelden meer dan halve waarheden zijn

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Wim Kok, Lodewijk Asscher en de valkuil van Hollandse politieke visies. Ofwel: van de Den Uyl-lezing in 1995 naar de Drees-lezing deze week.

Tekst Tom-Jan Meeus / Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Donderdag was Wim Kok even terug op het Binnenhof. Een paar uur later zou Lodewijk Asscher – Den Haag keek ernaar uit – een visionaire toespraak over sociaal-democratie en liberalisme houden. De PvdA op zoek naar zichzelf – en een nieuwe hiërarchie.

Maar eerst kregen we dus Kok. En de werkelijkheid was: zijn optreden was even authentiek als confronterend. Die ingetogen soberheid, de geloken ogen, de weidse armgebaren. Zijn intuïtieve keuze om tijdens het spreken de vloer in plaats van het publiek te bekijken.

Acht jaar premier, minister van Financiën, oppositieleider, vakbondsvoorzitter – en altijd intens verlegen gebleven.

Een verlegenheid die vrijwel uit de beroepspolitiek is verdwenen. En vermoedelijk nooit meer terugkomt: wie zich nu met zo’n aarzelend ego bij een kandidatencommissie van een willekeurige partij zou melden, wordt al van de lijst geschrapt nog voordat hij een woord gesproken heeft.

Kok was, met Rita aan zijn zijde, in Nieuwspoort voor de boekpresentatie van Een doodgewoon kabinet van Klaartje Peters, over de twee Paarse kabinetten (1994-2002) die hij leidde. De voorlopers van Rutte II. Mij ontbrak de tijd met lezen te beginnen, maar luisterend en bladerend kreeg ik er erg veel zin in deze bronnenrijke terugblik, vol petite histoire, op het Paarse avontuur.

Zo vertelde Kok dat Rita hem in de vermoeiende formatie van 1994 op het hart drukte niet aan zijn beruchte narrigheid toe te geven. Dus schreef de latere premier ’s ochtends, voor vertrek naar Den Haag, op haar advies vier letters in zijn handpalmen: vggh - veel geduld, goed humeur.

Maar ook herinnerde Kok me in zijn korte praatje aan een onuitroeibaar misverstand dat in die tijd geboren werd. Een misverstand dat zijn partij, inclusief Asscher, nog altijd parten speelt. En een misverstand dat Kok nota bene zelf de wereld in hielp: dat de PvdA destijds zijn „ideologische veren” zou hebben afgeworpen.

Zoals bekend deed Kok die uitspraak in 1995 tijdens de J.M. den Uyl-lezing, en vooral de SP van Jan Marijnissen maakte er jarenlang gebruik van: zozeer dat PvdA’ers er twintig jaar na dato nog steeds besmuikt over spreken. Politiek erg knap van de SP – al betrof het de exploitatie van een contextloze waarheid.

Paars I bestond destijds ruim een jaar. Een historische samenwerking van VVD, PvdA en D66 die nog in zijn experimentele fase verkeerde. En Koks uitspraak over die ideologische veren had alles met dit laatste te maken. De uitspraak was niet primair bedoeld voor zijn partij. Of voor links in het algemeen.

Het was een bericht aan de VVD: wij willen dat dit experiment slaagt; wij zullen dit kabinet niet in de weg zitten door onze maatschappijvisie aan de coalitie op te dringen.

Dit is het hele punt met visie in de Nederlandse politiek. Er wordt vaak om gevraagd, maar als het door premiers of vicepremiers wordt geleverd is het, op zijn best, een halve waarheid. Een analyse die ambitieus begint maar zelden oorspronkelijk wordt, omdat de omstandigheden dit niet toestaan.

Vandaar ook dat visionaire toespraken steevast dezelfde teleurgestelde ontvangst krijgen: een roadtrip door Amerika, van Oost naar West, die al bij Delaware blijft steken. Is dit alles?

En dat die ene ‘visie’ uit 1995 de PvdA nog altijd parten speelt, is het product van een andere verandering in de politiek, waarop Kok destijds amper ingespeeld kon zijn. Nu draait politiek vooral om wat politici zeggen, in plaats van wat ze presteren. Toen Kok die uitspraak deed gold het omgekeerde: wat je zei was allemaal wel leuk, maar het draaide om wat je dééd. Vandaar ook dat verlegenheid in die tijd zo’n grote handicap niet was.

Dus in zijn praatje liet Kok deze week die ideologische veren wijselijk links liggen, maar toonde met een simpel voorbeeldje aan dat zijn partij destijds allerminst in de capitulatiestand stond. Zo stipte hij aan dat de VVD de verkiezingen van 1994 was ingegaan met het idee van een ministelsel in de sociale zekerheid: alle uitkeringen naar bijstandsniveau. Verzorgingstaat afbouwen, als eerste stap op weg naar nachtwakersstaat.

En de werkelijkheid is dat de PvdA die – zeer ideologische – strijd destijds won. Zoals de PvdA ook daarna de meeste aanvallen op de verzorgingsstaat afsloeg.

De stijl die Melkert daarbij onder Paars II hanteerde was legendarisch onsympathiek, maar inhoudelijk effectief. De aanpak van Wouter Bos en daarna Diederik Samsom was anders, maar eindigde in essentie identiek: de verzorgingsstaat is recht overeind gebleven.

Kijk even mee naar de cijfers uit de laatste Miljoenennota: van de circa 260 miljard euro die in 2016 via de staat worden uitgegeven, gaat ruim 150 miljard naar zorg en uitkeringen. Bijna zestig procent van alle uitgaven.

Het cijfer dat mij het meest aan het denken zette was dat daartegenover maar 34 miljard naar onderwijs gaat. Deze maatschappij spendeert nu dus viermaal zoveel aan zorg en inkomenssteun als aan opleiding. Behoud en bescherming van ouderen, zieken en baanlozen winnen het ruim van vernieuwing en avontuur voor jongeren en werknemers met ambitie.

Dus wie wil volhouden dat de PvdA in 1995 zijn ideologische veren heeft afgeworpen moet dat vooral doen. Maar de werkelijkheid is dat de partij, van Kok tot en met Samsom, de ideologische aanvallen op de verzorgingsstaat vrijwel volledig heeft afgeslagen. De paradox voor de PvdA is eerder dat de kiezer dit succes als automatisme is gaan zien, waardoor het amper nog zo wordt ervaren.

Mede daardoor verkeert diezelfde PvdA nu in een ellendige positie. Deze week publiceerde Binnenlandse Zaken de financiële jaarverslagen van politieke partijen, en daarin zie je de neergang in volle omvang. Het ledenaantal (exclusief de Jonge Socialisten) bevindt zich nu al onder de 50.000, en door de combinatie met zwakke verkiezingen verloor de partij in 2014 een kleine zeven ton inkomsten. Zo’n zes procent van het totaal in één jaar. De PvdA leiden is het managen van verval.

Ook de naaste toekomst ziet er ongemakkelijk uit. GroenLinks dat met medialieveling Jesse Klaver (29) de linkervleugel opzoekt. De SP die met de aanstormende voorzitter Ron Meyer (34) een groot politiek talent op het nationale toneel introduceert. (Benieuwd hoelang het duurt voordat iemand hem als opvolger van Roemer voorstelt.)

Daartegenover Samsom, die in 2012 de moed van een gewaagd regeerakkoord met Rutte had – en zo zijn electorale geloofwaardigheid verloor. Vorige week, bij de Algemene Beschouwingen, deed hij een poging tot herpositionering door de helft van zijn speech aan progressieve milieupolitiek te wijden. Niet erg kansrijk, vermoed ik. Als de sociaal-democratie zich niet meer laat definiëren door de aanpak van economische verschillen, valt zij onvermijdelijk uit elkaar.

Onder die omstandigheden was het logisch dat Den Haag uitzag naar Asschers Willem Drees-lezing. De oude vergaderzaal van de Kamer stroomde donderdagavond vol. Wat we kregen was een anti-liberale analyse van de arbeidsmarkt, en de PvdA die zich vereenzelvigt met de bedreigde middenklasse. Met de VVD als vijand van dezelfde middenklasse. Een pleidooi vóór de vaste baan, tegen flexwerk. Vóór vakbonden, tegen de markt. Vóór een PvdA die economische verschillen (niet milieupolitiek) als haar primaire taak ziet.

Het past in de analyse van de coalitietop. Die komt erop neer dat VVD en PvdA de nationale Paarshaat moeten pareren door maximaal afstand van elkaar te nemen om geloofwaardigheid bij de kiezer te herstellen. Polarisatie om voort te bestaan. En dus was dit, zoals een PvdA’er na afloop zei, typisch een toespraak van een Hollandse bestuurder: een volgende visie als product van coalitiepolitiek.

Zo vermengde het lot van de PvdA zich deze week met het lot van visies in de Nederlandse politiek. De politicus die als bestuurder succesvol wil zijn, kan hier nu eenmaal beter niet streven naar grootse en meeslepende toespraken.

Hij verzet zijn pionnen voorzichtig, hij vermengt visie met pragmatisme, hij vermijdt oorspronkelijke analyses met het oog op zijn politieke toekomst. Den Uyl noemde dit de smalle marge van democratische politiek. En wie de visies die daaruit voortkomen letterlijk neemt, die liegt de waarheid.