Vrienden met je ziekte

Johan Noorloos was 27 toen hij de diagnose hiv kreeg. Op aanraden van een therapeut sloot hij vriendschap met zijn ziekte. Dat heeft hem gebracht waar hij nu is: de bekendste yogameester van Nederland.

De yogameester wilde graag in Harlingen afspreken. Bij Hotel Zeezicht aan de haven, waar zijn ouders zestig jaar geleden hun trouwreceptie hielden. We zien de middagboot net naar Terschelling vertrekken. We bladeren door de in donkerbruin leer gebonden menukaart. Kibbeling, garnalencocktail, scholfilet. Ook hier wordt de vis tegenwoordig op een modern bedje van quinoa geserveerd.

„Hier kom ik vandaan”, zegt Johan Noorloos (43). Ooit was het een plek vol „onbestemde dreiging” waaraan hij moest en zou ontsnappen. Nu zou hij er best weer willen wonen. „Van Amsterdam naar Harlingen is het maar vijf telefoontjes rijden.”

In Amsterdam is hij de grote yogaleraar met een eigen school, De Nieuwe Yogaschool, en een eigen yogastijl, Anicha yoga. Achthonderd yogaleraren kregen hun opleiding van hem en binnenkort ronden nog eens honderdvijftig man zijn training van vier maanden af. Onder zijn leerlingen zoveel bekende Nederlanders, dat hij wel de ‘goeroe van de sterren’ wordt genoemd. Hij schrijft een column in Yoga Magazine en schreef net zijn vijfde boek, Het Nieuwe Yogaboek, dat hij uitgeeft bij zijn eigen yoga-uitgeverij.

Je kunt merken dat Johan Noorloos een geoefende leraar is – hij stond ook een paar jaar voor groep 8 van een basisschool. Antwoorden leidt hij het liefst in met een eigen vraag. „Waar gaat yoga over?”, begint hij. „In de yoga kijk je van een afstand naar dat wat er is. Wat je denkt en voelt laat je voorbijkomen. Je neemt waar wat er verandert.” Yoga, zegt hij, is een oefening in bewustwording. Dat kan mediterend op een berg, liggend op een matje, of, zo blijkt, koffiedrinkend in Harlingen. „Ik heb vanochtend al vergaderd en lesgegeven, ik heb beslissingen genomen en mijn hond uitgelaten in de Jordaan.” Maar nu is hij hier, ver weg van de bubble daar. En dat bevalt hem goed. „Door die afstand zie ik alles weer in perspectief.” In de stad heeft hij een „wereld gecreëerd” die hij nooit meer kwijt wil, zegt hij. Het liefst zou hij die wereld combineren met een huisje hier vlakbij zee, met de rust en schoonheid van Harlingen die hij nu wel kan waarderen.

De vis wordt geserveerd. Erbij komt een schaal friet met mayonaise en een bak sla met flink wat dressing. Johan Noorloos wrijft in zijn handen. Even weifelt hij, bestelt dan twee witte wijn. Zo zo. Alcohol, koolhydraten, dode dieren, verzadigd vet. Wat we zo gaan eten vinden veel yogi’s vast vergif. Hij lacht en zegt tussen twee happen door: „Ik was ook zo.” Hoe? „Fanatiek.” Geen vis, geen vlees, geen koffie, geen wijn. Want yoga is geen gewone gymnastiek, het is een levenswijze – voor sommigen een religie. En ook het yogageloof bestaat uit vele splinterpartijen, met elk een eigen waarheid. Noorloos, van gereformeerden huize, is jarenlang zoekende geweest. Hij zocht de waarheid bij een dominee, een gebedsgenezer, een magnetiseur en vele yogameesters. Hij heeft „een paar auto’s” uitgegeven aan reizen naar Australië, Thailand en Peru. Inmiddels is hij believer-af en heeft hij zijn eigen weg gevonden: „Mijn Anicha-yoga is niet meer dan een mix van het beste uit alle bestaande yogavormen.”

De yogawijsheid van Noorloos vat hij in een zin samen: „Yoga begint pas als je van de mat afstapt.” De uitleg volgt direct. Hij vraagt: „Wat is het kenmerk van alle yogahoudingen?” Het antwoord is: weerstand. „Je zoekt waar de weerstand zit. Fysiek, emotioneel, mentaal.” Hij steekt nu een wijsvinger omhoog: „Let op: weerstand mag geen pijn zijn. Je moet je, als je in een ongemakkelijke knoop zit of staat, steeds afvragen: stimuleer of blesseer ik mezelf?” Het is een kwestie van ademen en je grenzen oprekken, zegt hij. „Je laat los wat je niet dient. Dat bevrijdt en maakt je sterker.”

Scheurtje

Precies dat, de weerstand opzoeken, moet je ook doen in het leven van alledag, zegt Noorloos. Hij citeert een liedtekst van Leonard Cohen: „Ieder mens heeft een scheurtje in zich, waardoor het licht kan binnenvallen. Dat litteken, die scheur, moet je opzoeken.”

Juist. En wat is zijn scheur? Hij hoeft geen seconde na te denken. „Ik ben opgegroeid met het gevoel dat wat ik voel, er niet mag zijn.” En nee, dat lag niet aan zijn ouders. „Mijn twee broers en ik zijn in liefde grootgebracht.” En toch was er altijd dat onbestemde gevoel, de dreiging. Een pikzwart taboe dat maakte dat hij zo gauw hij kon wegging uit Harlingen. Hij was, of liever is, homoseksueel. „Ouders kunnen wel zeggen dat het ze niet uitmaakt. Maar ik wilde geen teleurstelling zijn.” Zijn homoseksualiteit was het probleem niet, hij had zijn coming out toen hij in Groningen ging studeren, had vriendjes. „Maar telkens wanneer het te intiem wordt in de relatie met een vriend, zodra die te dichtbij komt, keert dat gevoel van vroeger terug. Het gevoel over mezelf dat ik poog weg te stoppen. Afschuw. Bijna een soort walging.”

Iedereen heeft een overlevingsstrategie om met dat scheurtje om te gaan, zegt hij. Je plakt een pleister. Je verbloemt het. Je compenseert het door in iets anders te excelleren. „Ik ben bijvoorbeeld extreem empathisch. Ik begrijp als geen ander hoe halsstarrig demonen kunnen zijn.” Liever leeft hij met andermans gevoelens mee, dan toe te geven aan wat hij het allerliefste wil maar zelf voortdurend boycot: een man en kinderen.

Labrador

Wie in de downward dog staat, voelt iets in de hamstrings trekken. De spier is te kort, of stijf. „Met een yogaoefening, een asana, maak je voelbaar wat je niet wilt voelen. Zo moet je ook een oefening vinden waarmee je de emotie of angst opzoekt die ergens in je ligt opgeslagen. Ergens moet een luikje open.” Hij tikt op de achterflap van zijn boek. „Voilà, dat is mijn asana.” Hij wijst een foto van hemzelf aan, in een omhelzing met een grote, witte, harige labrador. Hij knikt. „Mijn hond is mijn leraar.” Hij heeft hem nu een jaar en met geen enkel ander levend wezen is hij ooit zo close geweest als met Boeddha. „Zijn liefde is soms zo verstikkend, dat ik hem letterlijk wegduw. Alleen, hij komt steeds terug. Keer op keer geeft hij me de kans het opnieuw te proberen.”

Hij schiet de serveerster aan. „Zou ik misschien nog een heel klein beetje mayonaise mogen?” Hij leunt ontspannen achterover en zegt dat hij niet pretendeert de waarheid te verkondigen. Hij gelooft ook niet, zoals in veel (yoga)kringen gangbaar is, dat het leven zin heeft, of dat alles wat je in het leven overkomt een bedoeling heeft. Hij ziet het zo: „Het leven deelt uit. Totaal willekeurig. Er valt niets tegen te doen. Jij kunt alleen kiezen hoe je het incasseert.”

Hij heeft hiv. Hij was 27 toen hij de diagnose kreeg, hij zou misschien nog een jaar of tien te leven hebben. „Toen mijn leven werd bedreigd, ben ik op zoek gegaan naar iets om mijn angsten te handelen.” Het werd yoga. „Het werd gegeven bij mij op de sportschool. Ik dacht dat het zoiets als mediteren was.” Wat hij toen niet wist, maar nu wel, is dat yoga „meditatie in beweging” is. Of, zoals hij zegt: „Het heeft een mentale component die je met je lichaam oefent.”

Een therapeut adviseerde hem vriendschap te sluiten met zijn ziekte. Hij begon een briefwisseling met het virus. „Ik schreef: ‘Beste hiv, wat vreselijk dat je in mijn leven bent.’ Het virus schreef terug: ‘Beste Johan, als jij me gaat bestrijden, vecht ik terug. Laten we proberen er samen een zinvol leven van te maken.”

Johan Noorloos grijnst nu. „Dat heeft me geen windeieren gelegd.” Het virus heeft hem yogaleraar gemaakt van de grootste yogaschool van Nederland. Hij heeft zijn ziekte niet ‘verdiend’, er is ook geen hogere macht aan het werk geweest, er was geen vooropgezet plan. Wat hij heeft bereikt, heeft hij op eigen kracht bewerkstelligd.

Helende beweging

Mag ik nu weer even wat vragen? Staan woorden als succes en ambitie niet haaks op waar het bij yoga om gaat? Dat, zegt hij, bestrijd ik ten zeerste. Succesvol willen zijn, mag best. „Zolang je geen waarde hecht aan het eindresultaat. Als yoga me iets heeft geleerd, dan is het dat ik mijn potentieel mag leven. Ik mag de plek innemen die er voor me is.” Zijn halve leven heeft hij zichzelf klein gehouden, om anderen niet tot last te zijn. „Mijn schaamte is de bron van mijn succes.” Dat begrijp ik niet. „Wekt een asana schuld of schaamte bij je op? Feliciteer jezelf dan. Je bent waar je moet zijn, bij je weerstand. Als ik Boeddha wegduw, voel ik me instant schuldig. Dat is goed. Vanaf daar begint de helende beweging.” Hij heeft zichzelf gerepareerd. „Van een homoseksuele man zonder relatie en met hiv ben ik iemand geworden die van betekenis is voor anderen.”

Sinds een jaar of vijf slikt hij medicijnen tegen hiv. „Dat wilde ik nooit. Ik dacht: als het virus uitgeroeid is, is de vriendschap kapot.” En dus het succes weg? Hij antwoordt niet. „De arts zei: doe het toch maar. Als het werkelijk een vriend is, zal hij het begrijpen.” Het betekent wel dat zijn dood minder dichtbij is dan hij dacht. „Ik heb de tijdelijkheid gezien, ik had al afscheid genomen.” Nu heeft hij weer een leven voor zich. Het heeft de drive die hij al had, verhevigd. „Alsof ik net ben begonnen. Ik wil er zo graag toe doen, zo graag van belang zijn. Ik wil niet voor niets hebben geleefd.”