Verhouding tussen ouder en kind is veranderd – maar niet door internet

Natuurlijk zijn de verhoudingen tussen ouders en kinderen de afgelopen vijftig jaar ingrijpend gewijzigd. Maar dit is niet alleen te wijten aan het falen van ouders om de digitale revolutie bij te benen. Er is wel meer gebeurd, stellen

Bas Levering en Justine Pardoen.

Illustratie: Hajo

Ouders hebben een grote digitale achterstand op hun kinderen. Deze achterstand, die zijn weerga in de geschiedenis niet kent, heeft ingrijpende gevolgen voor de machtsbalans tussen ouders en kinderen. De rollen worden immers omgedraaid. Ouders raken hun gezag kwijt, ze voeden daardoor niet meer op en zadelen ons op met narcistische prinsjes en prinsesjes.

Tenminste, dat is wat men zegt.

Maar het is niet waar. De idee dat de huidige generatie jongeren digital natives zijn, berust op een mythe.

Om alle digitale mogelijkheden goed te leren benutten, hebben kinderen hun ouders en leraren namelijk hard nodig. Bovendien zit het verband tussen veranderende maatschappelijke ontwikkelingen en veranderende ouder/kind-relaties ingewikkelder in elkaar dan de onheilsprofeten denken.

Deze ‘digitale generatie’ is namelijk helemaal niet zo digitaal geletterd. Dat blijkt onder meer uit onderzoek van onder anderen Jan van Dijk en Alexander van Deursen aan de Technische Universiteit Twente. Ja, hun ‘knoppenvaardigheid’ lijkt in orde, maar laten we wel zijn: om al die apparaten te kunnen bedienen heb je niet zoveel kennis nodig. Dat is een kwestie van gewoon uitproberen en niet bang zijn dat je iets stukmaakt. Je hoeft ook niet te kunnen lezen en schrijven. Liever niet zelfs, want tekst leidt maar af als je je via beeld oriënteert.

Maar wil je alle digitale mogelijkheden gebruiken om de eigen positie te verbeteren, dan moet je ouderwets goed kunnen lezen en schrijven. En daar zouden jonge mensen juist slechter in worden, doordat ze minder lineair te werk gaan: het diepe tekstbegrip lijdt eronder en ze onthouden minder. Ook Paul Kirschner, hoogleraar Onderwijspsychologie aan de Open Universiteit, zegt dit al jaren.

Dat jonge mensen kunnen multitasken is ook al niet waar. Je kunt niet én multitasken én de afzonderlijke taken goed verrichten. Sterker: wie veel multitaskt (lees: snel schakelen tussen taken), wordt er steeds slechter in, zo blijkt uit onderzoek. Neurowetenschappers kunnen dat heel goed uitleggen en niemand twijfelt daar ook meer aan.

Aandacht voor traditionele vaardigheden als tekstbegrip en kritische reflectie zijn belangrijker dan ooit: als we denken dat we jonge mensen dat niet meer hoeven te leren omdat ze toch alles anders doen, laten we ze in de steek.

Toch is de mythe van de ‘digital native’ hardnekkig. Zo stelde ontwikkelingspsycholoog Steven Pont in aanloop naar het congres ‘Trends in kids, jongeren en familie marketing’ (24 sept. gehouden) zelfs dat de komst van internet voor „een enorme omslag” heeft gezorgd in de relatie tussen ouders en kinderen. Pont: „Voor het eerst in de geschiedenis leerden kinderen een belangrijk gedeelte van het leven beter kennen dan de volwassenen in hun omgeving. En dat maakt van kinderen dus ineens ‘digital natives’ en van volwassenen ‘digital immigrants’. De rollen werden opeens omgedraaid! De kinderen werden de experts, de ouders moest ineens alles worden uitgelegd.”

Volgens Pont leven we inmiddels in een maatschappij „vol ‘wetende’ kinderen en ‘domme’ volwassenen”. Geen wonder dat het misgaat met de opvoeding ...

Geen idee in welke wereld Pont leeft, maar wij zien ze niet, de kinderexperts die hun ouders ‘alles’ moeten uitleggen. Zelfs niet als het gaat om nieuwe technologie of internet. Natuurlijk zijn er altijd wijsneusjes die volwassenen voorbij streven, Steve Jobjes in de dop.

Maar in de meeste gezinnen halen pa of ma de computer en andere gadgets in huis, installeren deze, voorzien ze van anti-virussoftware en begeleiden hun kinderen bij hun eerste digitale stapjes. Natuurlijk, een baby lijkt handiger met een iPad dan een veertiger, maar dat heeft te maken met vingervlugheid. Dat zegt niets over wat ze werkelijk met die digitale ervaringen kunnen.

Hetzelfde geldt voor de ‘digitale kloof’ tussen volwassenen en tieners. Zouden ze zich erin verdiepen, dan begrijpen volwassenen heus wel wat hun tienerkinderen in Minecraft, World of Warcraft of op Instagram doen. Daarbij, om ervoor te zorgen dat ze op tijd naar bed gaan en te voorkomen dat ze in de problemen komen, hebben die digitale wijsneuzen hun ouders hard nodig. En om hogere cognitieve vaardigheden te ontwikkelen, kunnen ze nog steeds niet buiten onderwijs.

Natuurlijk zijn de verhoudingen tussen ouders en kinderen de afgelopen vijftig jaar ingrijpend gewijzigd. Maar om dit te wijten aan het falen van ouders om de digitale revolutie bij te benen, is kortzichtig. Er is wel meer gebeurd.

De toegenomen welvaart en de komst van effectieve anticonceptie hebben de kindertallen sinds eind jaren zestig razendsnel doen dalen. Kinderen hebben daardoor letterlijk meer ruimte gekregen. Hierdoor is de economische verhouding tussen ouders en kinderen veranderd: kinderen kregen meer geld op jongere leeftijd en lieten zich daardoor minder zeggen.

Dat had ook zijn weerslag op de relatie tussen ouders en jonge(re) kinderen. Het heeft ervoor gezorgd dat sinds de jaren zeventig opvoeden ook altijd onderhandelen is, en dat kinderen er rechten bij kregen, zoals het recht van 16-jarigen om te kiezen voor een ouder bij scheiding en het recht van 12-jarigen om gehoord te worden door de rechter. De idee dat je op je 18e onafhankelijk van je ouders moest kunnen zijn, vatte post en zo kwam de riante studiefinanciering ook beschikbaar voor kinderen van ouders die het heel goed zelf konden betalen. Sommige politieke partijen proclameerden het woonrecht voor 18-jarigen. De veranderingen waren zo dwingend, dat veel ouders dachten dat je ook met tweejarigen moest onderhandelen. Tot op de dag vandaag worden de Supernanny en de Opvoedpolitie uitgezonden om de orde te herstellen in gezinnen waar kinderen de baas geworden zijn.

Veel van de rechten die kinderen en jongeren in de jaren zeventig hebben verworven, zijn hen tijdens de economische crisis van de jaren tachtig ontnomen. De riante studiefinanciering werd vervangen door een basisbeurs die de kamerhuur niet eens dekte. Van het woonrecht van 18-jarigen heeft nooit meer iemand iets vernomen. Dit jaar is de basisbeurs vervangen door de studielening, die jongeren weer economisch afhankelijker maakt van hun ouders. Maar ouders en kinderen kunnen sinds de jaren zeventig goed met elkaar overweg. Zo goed zelfs, dat sinds de jaren negentig veel ouders niet weten hoe ze hun kinderen ooit nog het huis uit krijgen.

Veranderingen in materiële omstandigheden scheppen belangrijke voorwaarden voor veranderingen in de verhouding tussen ouders en kinderen – maar ze bepalen die niet. De digitale revolutie is nauwelijks een factor van belang als het gaat om de veranderde machtsbalans tussen ouders en kinderen.

    • Bas Levering
    • Justine Pardoen