Twee schilderkanonnen zij aan zij

In een schitterende expositie toont het Van Gogh Museum de verbanden tussen Van Gogh en tijdgenoot Edvard Munch.

Van Gogh, Het Gele Huis (De Straat), uit 1888. Foto’s Van Gogh Museum Amsterdam

Ze liepen elkaar steeds net mis. Toen Vincent van Gogh in 1886 in Parijs arriveerde, was zijn collega Edvard Munch daar net vertrokken. En toen de Noorse schilder in 1889 terugkeerde naar de Franse hoofdstad, was de Nederlander alweer doorgereisd naar Arles. Munch en Van Gogh hebben elkaar dus nooit ontmoet. Maar dat Munch een grote fan was van zijn tien jaar oudere collega, is alom bekend. „Van Gogh liet in zijn korte leven zijn vlam niet doven – zijn penselen waren vol vuur en gloed in die weinige jaren waarin hij zichzelf opbrandde voor zijn kunst”, schreef Munch in 1933.

In 1912 waren hun schilderijen samen te zien op de grote Sonderbundtentoonstelling in Keulen. Maar daarna is hun werk, vreemd genoeg, nooit meer samengebracht. En dat terwijl de overeenkomsten tussen hun levens en oeuvres zo evident zijn. Beiden besloten in 1880 dat ze kunstenaar wilden worden. Beiden trokken vanuit de periferie van de kunstwereld naar Parijs, waar hun werken veel lichter en kleurrijker werden. Beiden kampten met wanen en depressies. Voor beiden was hun kunst een middel om greep te krijgen op het leven. Thema’s als existentiële angst en eenzaamheid lopen als rode draden door beide oeuvres heen.

Vanaf vandaag zijn de werken van de twee iconische kunstenaars na meer dan een eeuw weer zij aan zij te zien op de meesterlijke tentoonstelling Munch: Van Gogh. Het Van Gogh Museum in Amsterdam en het Munch Museum in Oslo hebben er samen zes jaar aan gewerkt. De verzekeringspremies voor de peperdure bruiklenen waren zo hoog dat zowel de Nederlandse als de Noorse overheid garant staat voor een deel van het risico. Net als Late Rembrandt van het Rijksmuseum is dit zo’n megatentoonstelling die niet snel zal worden overtroffen.

Hun meesterwerken maakten Munch en Van Gogh al vrij in het begin van hun carrière. In de eerste zaal hangt Van Goghs Aardappeleters uit 1885 naast Munchs Ochtend uit 1884. Beide schilderijen werden in eerste instantie met gelijke verontwaardiging ontvangen. Munch kreeg veel kritiek op de klompvoeten en de open blouse van de vrouw: veel te eerlijk werd dat gevonden. Een criticus noemde Munch ‘de schilder van het lelijke’ – een kwalificatie die, kijkend naar de Aardappeleters, net zo goed van toepassing zou kunnen zijn op Van Gogh.

Kijken en vergelijken

Munch: Van Gogh is een tentoonstelling waar je heerlijk kunt kijken en vergelijken. Dankzij goed gekozen bruiklenen – er hangen verrassend veel ‘onbekende’ Van Goghs uit privéverzamelingen – zijn er schitterende combinaties gevormd. Munchs Madonna (1894) naast Van Goghs La Berceuse (1889): twee in zichzelf gekeerde dames, maar wat een verschil in temperament. Munchs Verse sneeuw in de laan (1906) naast Van Goghs Tuin van de inrichting Saint-Paul (1889): twee bomenlaantjes waarbij de dwarrelende sneeuwvlokken en de vallende herfstbladeren het sombere gemoed van de makers lijken te weerspiegelen. De verfstreken zijn even expressief, maar die van Munch zijn net wat vloeiender. De Noor is duidelijk de meest nonchalante van de twee. Hij had intussen wel succes, was daardoor misschien een stuk zelfbewuster. Van Gogh bleef tot het eind van zijn leven een ploeteraar.

Munch, die een tijdlang tegenover de kunsthandel van Vincents broer Theo in Parijs woonde, moet de werken van Van Gogh gezien hebben. Het is nog net geen plagiaat, maar de compositie van Munchs Vrijende paartjes in het park (1904) is wel heel erg afgekeken van Van Goghs Tuin met geliefden (1887). De contouren van de boomtoppen, de meanderende paadjes, de bankjes met zoenende stelletjes – ze zijn door Munch letterlijk aan Van Gogh ontleend. Deze tentoonstelling bewijst dat er meer verband is tussen de twee schilderkanonnen dan we ooit hadden gedacht.

Het slotakkoord, in een verduisterd zaaltje op de bovenverdieping, is op het pathetische af. Hier worden vier topstukken van Van Gogh (Zonnebloemen, De minnaar, Geploegde akkers en De ingang van het park in Arles) omgeven door de klanken van Wagners Siegfried. Het is op het randje, maar wat geeft het. Dit is hoe de kunstenaar zijn werken zelf ook wilde tonen, als symfonieën. De opstelling is bovendien kunsthistorisch verantwoord. Al deze doeken stonden in Van Goghs ‘gele huis’ in Arles. Hij was ze eindeloos aan het rangschikken, in afwachting van het bezoek van zijn grote held Paul Gauguin. Het kan dus heel goed dat ze ook zo naast elkaar hebben gehangen, in 1888. Daarna raakten ze verspreid over topmusea in heel de wereld. Dat ze nu weer hier samen in Amsterdam te zien zijn, is niets minder dan een wonder.

    • Sandra Smallenburg