Stayin’ Alive

Elke week staat op deze plek een voorpublicatie. Deze week een fragment uit Leve het welwezen, het nieuwe boek van Kees van Kooten.

De volgende dag vertrok onze familie, want in Nederland gingen de scholen alweer bijna beginnen. Mijn vrouw en ik zouden nog een dag of tien hier blijven. Daar blijven, bedoel ik. Ik zwom iedere dag mijn vaste kwartiertje, maar begon al na een paar schoolslagen van die rare zware armen en schouders te krijgen. Dus gestopt met zwemmen, maar de borstpijn bleef zeuren. En nog iets nieuws: lopend van het huis naar de schuur en weer terug moest ik regelmatig halt houden om op adem te komen. Thuis natuurlijk niks zeggen. Sterke aandrang om een paar maal per dag in het geniep te gaan liggen slapen. Dit nog niet eerder meegemaakt.

Ik belde onze huisarts in Amsterdam en vroeg of hij op maandag 25 augustus even vijf minuten naar mij zou willen luisteren. Afgesproken. Tien uur ’s ochtends. Wij vingen onze terugtocht aan op de vrijdagmiddag hieraan voorafgaand.

Het autorijden viel mee: in zittende positie had ik nauwelijks pijn. En we reden om beurten. Twee keer overnacht. Maar toen ik ’s avonds voor het hotel onze twee weekendtassen uit de auto tilde moest ik ze onderweg naar de kamer vier à vijf keer neerzetten.

Zondagavond rond middernacht weer thuis in Amsterdam. Tot een uur of drie als een bezetene gegraven in de opgehoopte kubieke meter post, kranten en bladen. Ik lag tien nummers van het Amerikaanse weekblad The New Yorker achter. Ik ben (was) abonnee sinds 1972. Hier kom ik nog op terug.

Tegen drieën naar bed. Wekker op zeven uur gezet, want ik wilde mijn twee kleinkinderen verrassen. Na deze nerveuze hazenslaap schoot ik haastig dezelfde kleren aan die ik vier uur terug had uitgetrokken, zette ondersteboven een gekke zonnebril op, trok de loze shoebag uit mijn reistas als een kaboutermuts over mijn hoofd en stak met een literpot Franse pindakaas, waar broer (10) en zus (6) zo gek op zijn, de nog slapende straat over. Zij wonen namelijk, handig, tweehonderdvijftig meter bij ons vandaan.

Gedurende dit kippeneindje moest ik vijf keer stoppen en al mijn kracht en adem bij elkaar schrapen om verder te kunnen lopen.

Maar ik hield de omgekeerde bril en de kaboutermuts dapper op, ondanks de verbaasd gapende passagiers van de passerende tramlijn 16, en tikte ten slotte met de pot pindakaas op het raam van de benedenwoning.

Tien tellen.

Dan wordt het gordijn opzijgerukt en daar staat mijn kleindochter, in haar wildedierenpyjama. Dat wil zeggen, de broek. Het bovenhemd is bedrukt met kabouters, dus dat kwam goed uit.

Ik zie hoe zij om mijn verschijning moet lachen, maar dat zij besluit geen krimp te geven. Het is de leukste en enig juiste manier van reageren; dat ridicule voorkomen heel normaal vinden en zogenaamd niets bijzonders aan mij zien. Maar zij kan zich niet goedhouden en jawel hoor: de glimlach van een kind. Laten we wel wezen – daar doe je het allemaal voor.

Een kwartiertje later ga ik met mijn dochter en haar beide kinderen te voet op weg naar school.

Zij ratelen geestdriftig over nieuwe juffen, meesters en klasgenootjes.

Ik kan ze amper bijhouden en hap binnensmonds naar lucht maar hoef er gelukkig weinig tussendoor te zeggen want lopend praten gaat uiterst moeizaam en ze mogen natuurlijk niks merken maar niks aan de hand want over anderhalf uur zit ik veilig bij mijn kernachtige huisarts.

Kijk eens aan: daar zijn hun nieuwe klaslokalen.

Eentje op de eerste verdieping – om geen argwaan te wekken kreun ik overdreven hard en trek ik mij komisch ouwelijk aan de leuning omhoog – en eentje op de begane grond. Het is warm. Veel geschreeuw, weinig wol, dolle pret.

We nemen voor een hele dag afscheid van ze en hun moeder en ik lopen weer naar buiten. Daar tolt en golft het. Ik probeer mij de wandeling naar huis voor de geest te halen en zie halverwege dat aantrekkelijke uitblaasbankje staan. Dan kan mijn vrouw mij naar de afspraak met de dokter rijden, ach welja, nada aan de handa. Maar wanneer ook het schoolgebouw vervaarlijk begint over te hellen, beken ik mijn dochter dat ik mij een beetje slapjes voel, maar dat zij gerust naar haar werk kan gaan – dat kleine stukje terug kan ik best in mijn eentje lopen. Zij kijkt mij aan, haar mond zakt open, ze trekt haar hoofd geschrokken terug en roept: ‘Man! Je ziet helemaal grijs!’

Op deze speelplaats staat een betonnen pingpongtafel en daar moet ik gewoon een uurtje op gaan liggen, denk ik hunkerend.

Met netjes opgetrokken knieën boven het netje in het midden, moet kunnen. De nieuwe lokalen zitten aan de achterkant van het gebouw, dus mijn kleinkinderen zullen mij goddank niet zo zien. Wel hollen er links en rechts nog wat plukjes verlate leerlingen langs, met afkeurend naar mij kijkende vaders en moeders. Die is om half negen ’s ochtends al aangeschoten.

‘Geef je mobieltje’, sist mijn dochter, panisch hees. Ze houdt mij onder mijn oksels overeind. Veilig gevoel. Zo tilde mijn moeder mij uit de wasteil. ‘Heb ik niet bij me,’ pers ik eruit. Zij ook niet. De bijzonder aardige acteur Tijn Docter wel. Hij is de vader van Toon, weet ik, want die zit in de parallelklas en op dezelfde voetbalclub als mijn kleinzoon. ‘Ik bel nú 112!’ besluit mijn dochter. Ik probeer de regie te houden en vraag: ‘Heb je daar het telefoonnummer van?’ Wat ik op datzelfde moment nog wel weet is dat ik nooit naar de musical Soldaat van Oranje ben gegaan, waarin Tijn Docter maandenlang een hoofdrol speelde. Maar dan wel zijn mobieltje gebruiken.

‘Komt goed komt goed, alles komt goed,’ bezweert mijn beschermengel en gedecideerd beschrijft zij de ambulancedienst waar wij ons bevinden.

Binnen een minuut hoor ik de sirene naderbij zwellen.

‘Mobieltje Soldaat van Oranje redt leven opa’, zie ik in mijn grootheidswaan de krantenkop al voor me.

Vreemd genoeg klinkt de huilende sirene mij als muziek in de oren, want het blijft natuurlijk een geweldige ervaring om zelf nu eens mee te maken hoe dat voelt, na jarenlang als medeweggebruiker opzichtig te hebben geremd, overdreven hulpvaardig naar rechts te zijn uitgeweken en, in de jaren vijftig van de vorige eeuw, bij het langsrijden van een sirenende politiewagen of de statige nadering van Elsschots Korthals XV zelfs de pet te hebben afgenomen, om eerbiedig op mijn hart te drukken.

Routineus ondersteund door de beide hulpverleners struikel ik de ambulance binnen, waar ik door ene Jeroen op een veldbed wordt gevlijd, waarna hij mij met flitsende gebaren aansluit op de monitor die het kloppen van mijn hart in beeld zal brengen.

In Amerika draaien ze daar ter kalmering het nummer ‘Stayin’ Alive’ bij, van de Bee Gees, vanwege de gewenste honderdendrie beats per minuut, herinner ik mij wel eens te hebben gelezen. Maar waar en wanneer? ‘Maakt u zich maar geen zorgen hoor,’ sust Jeroen, „straks wordt u waarschijnlijk even gedotterd en dan bent u vanmiddag weer thuis.” Maar wanneer hij een halve minuut later het hartfilmpje ziet roept hij, met een heel andere stem: „Aiaiaiaiai! U heeft op dít moment een infarct! Gassen Hans, gassen!”

    • Kees van Kooten