Snel trappen heeft juist wél zin voor de amateurfietser, want die wil meer vetten verbranden

Op de pagina ‘Wetenschap’ heeft u op 14 september een artikel gepubliceerd over de trapfrequentie van professionele wielrenners en die van recreanten(amateurs). De algemene conclusie luidde: ‘het heeft geen zin voor recreanten om met een hoge trapfrequentie te trappen’.

Wij hebben twee majeure bezwaren tegen de inhoud van de overigens correcte journalistieke weergave door Wim Köhler, die een wetenschapper citeert van de universiteit van Oxford.

Collega Ahlquist et al lieten in 1992 al in het European Journal of Applied Physiology zien, op zeer duidelijke wijze, wat er gebeurt met het lichaam (lees beenspieren) wanneer er bij verschillende trapfrequenties wordt gefietst. Hun studie verklaart waarom recreanten juist wél baat hebben bij fietsen met een hoge trapfrequentie.

In het algemeen kun je stellen dat er twee soorten spiervezels(cellen) zijn: de langzame vezels die lang een beweging volhouden en de krachtige vezels die veel sterker zijn, maar sneller uitgeput raken. Deze laatste zijn ruim ‘voorradig’ bij sprintkanonnen.

Wat blijkt nu: wanneer je hetzelfde vermogen moet leveren bij een trage trapfrequentie, ga je de krachtige vezels aanwenden omdat je per omwenteling meer vermogen moet leveren waarbij vooral suikers (koolhydraten) als brandstof dienen. Bij een hoge trapfrequentie schakelt het lichaam over op de langzame vezels (je verdeelt het vermogen over meer omwentelingen) en zal je meer vetten verbranden. Dit laatste zou juist voor recreanten een reden kunnen zijn om wel te kiezen voor een snelle trapfrequentie. Zij doen immers aan sport om o.a. hun gewicht onder controle te houden met als inzet de hoeveelheid vet.

Uiteraard kun je niet van de ene op andere dag op een hoge trapfrequentie overschakelen. Je moet eerst je zenuwstelsel, dat de spieren aanstuurt en de trapfrequentie bepaalt, trainen. Dit kan door een niet te zwaar verzet te kiezen (helaas doen velen dit wel) en langzaam de trapfrequentie planmatig (volgens een trainingsschema) te verhogen.

drs. Jos Benders,