Prietelbabbelig en verheven

Regisseur Léon van der Sanden maakte een voorstelling over dichter Leo Vroman en zijn vrouw Tineke. Vromans lichtvoetig-poëtische taalgebruik sijpelt door in elke zin.

Foto Ed Turenne, 1947. Collectie Letterkundig Museum

Ver in de negentig waren Tineke en Leo Vroman nog altijd verliefd. Televisie-interviews en documentaires tonen het toegenegen paar altijd samen, immer lief en voorkomend – alles is ‘enigjes en snoeperig’– en bijzonder aanhalig – ook op hoge leeftijd zaten ze nog voortdurend aan elkaar. Ooit, in de mensa van studentenvereniging Unitas in Utrecht, toen hij 23 was en zij 17, was het – voor hem in elk geval – liefde op het eerste gezicht, een blikseminslag. „Godallemachtig”, zegt Vroman in het toneelstuk Hoe mooi alles. „Het noodlot. Ik zit naast mijn vrouw. Naast mij zit mijn hele toekomstige leven.” Dat is in 1938.

Maar dan raast er een wereldoorlog over die grote liefde heen, die het stel zeven jaar zal scheiden. De liefdesbrieven die Leo in die tijd aan Tineke schreef behoren tot het mooiste in dat genre ooit geschreven; emotionele, ontroerende literaire parels zijn het. „Ach liefste, ik verlang zo onfatsoenlijk erg naar je […] Wil je nog trouwen met me? Dat zou een ontstellend groot geluk zijn.” In 1947 volgt de hereniging, en vervolgens zijn ze decennialang onafscheidelijk, tot zijn overlijden in 2014. In de woorden van Tineke, in het toneelstuk: „Het is meer dan zeventig jaar later, en al die jaren zo gezellig geweest. Al die jaren zo meer dan dierbaar.” Eind goed, al goed.

Maar hoe maak je nu theater, en dus drama, van zo’n onbetwiste liefde? Léon van der Sanden doet dat door op toneel in te zoomen op de grote dramatische scheiding van zeven jaar, de ontberingen die de Joodse, gevluchte Vroman in Nederlands-Indië doorstaat in vijf verschillende Jappenkampen, en de twijfel aan hun verbintenis die Tineke in die tijd had. Want dat is een minder vaak verteld verhaal: ondanks de verbondenheid die de 17-jarige Tineke al snel met Leo voelde, smachtte zij fysiek een tijdlang naar een ander. Van der Sanden: „Dat was een enorme worsteling, die haar jarenlang heeft verscheurd.”

Doorzichtige kinderhandjes

Bewerker en regisseur Van der Sanden nam de biografie van Mirjam van Hengel, Hoe mooi alles (2014), als uitgangspunt voor zijn gelijknamige voorstelling. In het stuk kijken de hoogbejaarde Leo en Tineke (Kees Hulst en Esther Scheldwacht) terug op hun leven, en dan vooral op de periode 1938-1947 van ontmoeting-scheiding-hereniging, van Tweede Wereldoorlog, vlucht, Jappenkamp en emigratie naar de Verenigde Staten, waar Vroman een eerbiedwaardige wetenschappelijke carrière opbouwde.

Van der Sanden koos een aantal van Vromans mooiste gedichten die het drama ondersteunen, en die op toneel door de acteurs af en toe in een microfoon worden gezegd. Maar Vromans lichtvoetig-poëtische taalgebruik sijpelt door in elke dialoog, in elke gesproken zin. We horen die als Leo mijmert over Tinekes kalmerend lichtbruine huid, of zich herinnert hoe vroeger, als hij wel eens bloedneuzen had, „zijn neus een rode vlag op zijn witte kussensloop schilderde”. Vromans taal klinkt door in zijn liefde voor beestjes en de natuur, in het „lieve wroeten” van de wormen tussen zijn vingers en de „kleine doorzichtige kinderhandjes” van salamanders. We horen hem als Tineke aan Indië terugdenkt, met die „magistrale roetzwarte stilte van de nacht”.

Acteur Kees Hulst, met zijn humor, ironie en pretoogjes de gedroomde Vroman-vertolker, volgens Van der Sanden, is een liefhebber van Vromans poëzie. „Zijn gedichten kunnen hoogdravend zijn, maar ook heel concreet. Ze zijn prietelbabbelig en keutelig, maar ook spiritueel en verheven. Zijn taal is compact, geestig, associatief; wat moet ik nog meer zeggen?”

Esther Scheldwacht: „Speels!”

Hulst: „Ja, speels. Vroman kon niet anders dan dichten, zei hij: dichten was voor hem een soort hikken. Hij zag het als een proces in de hersenen dat je niet kan tegenhouden. Het was een tweede natuur. Dat organische, dat proef je erin.”

Zelf schreef Vroman, ook vooraanstaand hematoloog: „Ik word niet graag ‘dichter’ genoemd. Voor mij is dichten evenmin een beroep als spijsverteren.”

Van der Sanden wilde Vromans leven en werk al jaren op toneel brengen. Hij is al sinds zijn studie een bewonderaar, en constateert continu verrassende overeenkomsten tussen Vroman en zichzelf. Geboren in Gouda, studie in Utrecht, huizen in dezelfde straat, de bloedneuzen als kind. Van der Sanden herinnert zich levendig de liefdesbrieven van zijn ouders, die ook door de oorlog van elkaar gescheiden waren. Nu nog rijgen de toevalligheden zich aaneen. De decorontwerpster kocht een bank op Marktplaats bij een vrouw, die ooit Tineke bleek te hebben gespeeld in een amateurtheaterproductie. De hematoloog die Van der Sanden recent behandelde (hij is net genezen van een bloedziekte) kende Vroman. En ook Léons geliefde heet Tineke. Ja, het is bijna een gevoel van lotsbestemming, zegt Van der Sanden. Daarom wilde hij ook per se – nog maar net genezen, eigenlijk is het te vroeg – de regie van de productie zelf doen.

Modderspringers

Wie Hulst Leo Vroman ziet spelen, wordt, net als in de poëzie en de brieven, geconfronteerd met diens vrolijkmakende vermogen zich over werkelijk alles liefdevol te verbazen. Uiterst aanstekelijk is zijn liefde voor het leven, van de planten en dieren tot de kleinste microben die hij ziet door zijn microscoop. „Wat leeft, maar heel eenvoudig lijkt/ is van dichtbij gecompliceerd./ Daardoor is alles wat ik ken/ structuur waar ik verliefd op ben.” Het leven is zo onaantastbaar mooi, schrijft hij in één van de laatste brieven aan Tineke, voor ze herenigd worden. „Ik geloof niet dat iemand zozeer heeft geweten hoe prachtig alles op aarde is als ik.”

In het Jappenkamp houdt Vroman slangen als huisdier– hij neemt ze mee uit wandelen aan het puntje van hun staart. Hij wordt gelukkig als hij in de mangrovebossen kleine modderspringers ziet, met hun „opgepropte palinglijfjes”. En zijn liefde voor de wereld manifesteert zich ook in het groot: in elke Japanse kampbeul probeert hij een mens te blijven zien. Dat Vromans optimisme (ook) een hardnekkig overlevingsinstinct is, blijkt op toneel bij de reconstructie van zijn herinneringen aan het kamp, als hij bij hoog en laag volhoudt niet bij executies aanwezig te zijn geweest – wat onwaarschijnlijk is.

Vromans levensvreugde is buitengewoon, zeker gezien de omstandigheden. Maar gaandeweg klinkt toch ook somberte en wanhoop door, zoals in de klassieke strofen van zijn beroemde gedicht Vrede: „Liefde is een stinkend wonder/ van onthoofde wulpsigheden/ als ik voort moet leven zonder/ vrede, godverdomme, vrede.” Natuurlijk raakt Vroman getraumatiseerd in het Jappenkamp, zegt Van der Sanden, maar hij probeert zijn gemoed licht te houden, zoveel mogelijk mee te buigen en zich te verschuilen in de taal.

Aan het begin van het stuk hint Van der Sanden naar biografische verklaringen voor Vromans karakter, zoals de druk die hij ervoer van zijn ambitieuze ouders, die hij relativeerde met humor en zelfspot. Maar de regisseur wil niet te veel invullen. Boven alles komt in het stuk Vromans enorme verbeeldingskracht naar voren, zelfs in zijn verliefdheid op Tineke.

Hulst: „Zijn geest is zo rijk dat hij bij hun eerste ontmoeting meteen van alles op haar projecteert. Zij zwijgt en hij vult in. Alsof je naar een kunstwerk kijkt dat reflecteert wat jij erin ziet. Hij stelt zich bij de eerste ontmoeting hun hele verdere leven voor. Dat is niet het noodlot, maar zijn verbeeldingskracht.”

Scheldwacht: „Tineke doorziet dat ergens wel. Zij zegt: soms denk ik dat je je meer verbeeldt dat je gelukkig bent dan dat je het werkelijk bent.” Van der Sanden: „En Leo zegt er zelf over: Het doet er niet toe of mijn herinneringen van vroeger kloppen. Of ze waar zijn. Het gaat erom dat je van je leven een verhaal weet te maken.”

De levenslange verliefdheid van Leo en Tineke Vroman was dus zeker niet alleen een sprookje, weet Van der Sanden. Maar hij wil die liefde wel serieus nemen, en niet relativeren of bevragen. Want dat twee mensen tot ver in de negentig samen nog zo eclatant gelukkig zijn, is een benijdenswaardige zeldzaamheid.

    • Herien Wensink