Ombudsman

Online journalistiek moet meer zijn dan ‘aggregeren’

Een dag voordat het misging had Elizabeth Flock, webredacteur van The Washington Post, een productie van 2.700 woorden gehaald. Ze schreef stukken over een bont stel onderwerpen: een geredde Argentijnse baby (08.10 uur), aardbevingsgevaar (09.57), een Afrikaanse rebellenleider (11.50), bomalarm in het World Trade Center (12.50), een rechtszaak (14.09), en de wederwaardigheden van Hillary Clinton (18.43).

Dat was donderdag. Op vrijdag nam ze ontslag.

Flock, een prille twintiger, was betrapt op twee fouten in haar volgende productiecyclus. Ze had verzuimd het team van presidentskandidaat Mitt Romney commentaar te vragen op een dubieus citaat dat aan hem was toegeschreven (en dat zij had vermeld). En ze had een bron niet vermeld in een stuk over, drie keer raden, bacterieel leven op Mars. Er kwamen klachten, nog die dag stond ze met een kartonnen doos op straat.

Haar ontslag, in april 2012, werd door de ombudsman van The Post gezien als een symbool voor de benarde situatie van jonge online redacteuren. Zij leveren, onder hoge druk, een constante stroom berichten, grotendeels gebaseerd op kopij van persbureaus en andere media – een vorm van journalistiek die bekend staat als ‘aggregatie’ (of, oneerbiediger, als knippen en plakken). Het droevige lot van een aggregatieslaaf kopte blog The Awl (waaraan bovenstaande productietijden zijn ontleend) over Flock.

Ik moest aan haar denken, toen zondag de Brandpuntuitzending over Volkert van der G. over internet suisde. Inmiddels weten we dat de onthulling in dat item – het schenden door Van der G. van zijn mediaverbod – op zijn best het halve verhaal was, maar er ontstond ophef, in een te krap maatschappelijk jasje.

Hoe kwam het op nrc.nl? De redacteur van dienst, die zijn handen die avond al vol had aan de Griekse verkiezingen, nam een ANP-bericht, herschreef dat en vulde het aan met het persbericht van Brandpunt zelf. Zijn auteursnaam kwam erboven. Dat gaat automatisch in het publicatiesysteem van nrc.nl, werd me uitgelegd, je moet daarin actief een handeling verrichten om je naam er niet bij te krijgen. Het ANP werd in het stukje (171 woorden) nog wel genoemd.

De auteur nam dus onder zijn naam ook voor eigen rekening dat uit de uitzending „blijkt” dat van der G. zijn mediaverbod had geschonden – wat het Openbaar Ministerie stellig tegenspreekt.

Je naam boven een stuk hebben, hoe kort ook, strookt met de wens van nrc.nl om de lezer zoveel mogelijk te laten weten wie hij kan aanspreken. Regel voor naamsvermelding is dat kopij van persbureaus en andere media dan moet worden ‘verrijkt’ met links naar bronnen, video’s, tweets, of commentaar van specialisten (vaak zijn dat andere NRC-journalisten, met een eigen portefeuille).

‘Verrijkt’ was er bij Volkert niet veel; wel in een uitgebreider bericht twee dagen later. Toch, uitleg wat dat mediaverbod nu precies inhield, las ik pas woensdag in nrc.next. De naamsvermelding bij het eerste online bericht is nu vervangen door ‘ANP’ – en dat lijkt me terecht (hoewel er dus ook een iets bewerkte passage uit het KRO-persbericht in staat).

Het gaat me er niet om die ene redacteur te kapittelen. De regels rond online bronvermelding zijn op zichzelf ook helder.

Maar het voorval roept wel vragen op over ‘aggregatiejournalistiek’, zoals die ook bij nrc.nl wordt bedreven. In mijn ogen blijft het ook curieus om, al worden de bronnen netjes genoemd, een byline (de naam van een redacteur) te zetten boven een verhaal dat puur bestaat uit het herschikken en aanvullen van andere journalistieke bronnen.

Bovendien, de productiedruk is in online journalistiek zo hoog dat ongelukken, kleine en grote, ondanks die regels haast wel moeten gebeuren. De concurrentie is moordend en de werklast voor online journalisten, vaak freelancers, groot. Zo is wereldwijd een klasse van nieuwe letterknechten aan het ontstaan.

De site nrc.nl bevindt zich momenteel in een overgangsfase: het was vanaf 2010 een nieuwsblog, gescheiden van de papieren kranten en met een eigen schrijvende redactie (en uit die tijd stammen de regels voor naams- en bronvermelding). Maar inmiddels is de koers bij NRC Media weer middelpuntzoekend: er is een algemene nieuwsdienst in wording die voor de site en de kranten werkt. Het maken van de homepage komt los te staan van die nieuwsdienst.

Met het oog op die beweging naar één merk, met één soort journalistieke regels, lijkt het me geboden – en ik begrijp van de leiding van de nieuwe nieuwsdienst dat dit nu ook al gebeurt – de regels voor de vermelding van bronnen en auteursnamen nog eens door te lichten en, liefst, aan te scherpen. Dat een auteur iets moet doen om zijn naam bij een stuk weg te krijgen, een soort vrijwillige narcistische krenking, lijkt me de omgekeerde wereld, bijvoorbeeld.

Op nrc.nl stuitte ik in het verleden wel eens vaker op berichten onder naam die grotendeels bestonden uit bewerkte kopij van persbureaus. Meestal worden die bronnen genoemd, maar soms nauwelijks. Is dat acceptabel? Een enkele keer krijgt het iets komisch: een alinea die een NRC-correspondent leverde, belandde in een bericht met als bron: AFP. Hij wist niet dat hij daar óók voor werkte.

Dat is nog ‘binnen’ NRC. Maar het risico lijkt me dat een auteur van buiten die zijn tekst zo ‘geaggregeerd’ ziet, daar minder collegiaal tegenaan kijkt.

Aanscherpen zal journalisten van de nieuwsdienst wellicht minder naamsvermelding opleveren, maar het kan hen ook beschermen tegen het verwijt van knippen en plakken of zelfs plagiaat, en behoeden voor het lot van Flock. De „ethische dwaling” waar zij door haar bazen op werd afgerekend, was nu ook weer niet zo schokkend – ze had pech dat het om een presidentskandidaat ging.

In de nieuwe situatie, benadrukt de chef nieuwsdienst, zal er meer tijd zijn voor eigen nieuwsgaring, wederhoor, lezen van rapporten et cetera – kortom, het primaire journalistieke handwerk.

Dat zou vooruitgang zijn, met Elizabeth Flock in gedachten.

    • Sjoerd de Jong